-
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
geldlening: een schuld die voortvloeit uit een overeenkomst van geldlening of een daarmee vergelijkbare overeenkomst of uit een deposito als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht of een naar aard en strekking daarmee vergelijkbaar deposito volgens het recht van een andere staat;
renten ter zake van geldleningen: rentelasten en kosten ter zake van geldleningen die zonder toepassing van de artikelen 15b, 15be en 15bf in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de in een jaar genoten winst, alsmede bedragen van dubbel in aanmerking genomen inkomen die op grond van artikel 12af, eerste lid, in aftrek komen bij het bepalen van de winst van dat jaar, voor zover deze bedragen door de toepassing van artikel 12af, tweede lid, worden geacht te bestaan uit renteaftrek;
het bedrijf van bank: een bedrijf waartoe een vergunning is verleend als bedoeld in de artikelen 2:11, eerste lid, 2:16, eerste lid, of 2:20 van de Wet op het financieel toezicht of ter zake waarvan een mededeling is ontvangen als bedoeld in artikel 2:14, eerste of tweede lid, van die wet;
het bedrijf van verzekeraar: een bedrijf waartoe een vergunning is verleend als bedoeld in de artikelen 2:26a, eerste lid, 2:26c, eerste lid, 2:26d, eerste lid, 2:27, eerste lid, 2:36, eerste lid, 2:40, eerste lid, 2:48, eerste lid, of 2:50, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht of ter zake waarvan een mededeling is ontvangen als bedoeld in artikel 2:34, eerste lid, van die wet;
verordening kapitaalvereisten: Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PbEU 2013, L 176);
richtlijn solvabiliteit II: Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PbEU 2009, L 335);
verordening solvabiliteit II: Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2015/35 van de Commissie van 10 oktober 2014 tot aanvulling van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PbEU 2015, L 12);
groepslichamen: alle lichamen waarmee de belastingplichtige is verbonden in een groep in de zin van artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
-
Voor de toepassing van deze afdeling worden onder renten ter zake van geldleningen niet begrepen:
renten ter zake van geldleningen voor zover die deel uitmaken van winst uit een andere staat als bedoeld in artikel 15e, eerste lid, waarop de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten van toepassing is;
renten ter zake van geldleningen die zijn verkregen van groepslichamen voor zover de belastingplichtige aannemelijk maakt dat deze geldleningen niet direct verband houden met geldleningen die zijn verkregen van niet-groepslichamen of natuurlijke personen.
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Laatste controle 29-05-2026, laatste wijziging 25-05-2026 (Bron: wetten.overheid.nl).
Inhoud
Hoofdstuk I Belastingplicht
Hoofdstuk II Voorwerp van de belasting bij binnenlandse belastingplichtigen
Afdeling 2.1 Belastbaar bedrag
Afdeling 2.2 Algemene artikelen inzake bepaling van de winst
Afdeling 2.2a Hybridemismatches
Afdeling 2.3 Innovatiebox
Afdeling 2.4 Groepsrentebox
Afdeling 2.5 Deelnemingen
Afdeling 2.6 Bedrijfsfusie
Afdeling 2.7 Splitsing, juridische fusie en bestuurlijke herindeling of herschikking
Afdeling 2.8 Geruisloze terugkeer uit BV
Afdeling 2.9 Fiscale eenheid
Afdeling 2.9a Generieke renteaftrekbeperking
Afdeling 2.9b Minimumkapitaalregel voor banken en verzekeraars
Afdeling 2.10 Eindafrekening
Afdeling 2.10a Objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten
Afdeling 2.11 Aftrekbare giften
Hoofdstuk III Voorwerp van de belasting bij buitenlandse belastingplichtigen
Hoofdstuk IV Verrekening van verliezen
Hoofdstuk Va Deelnemingsverrekening, verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten en verrekening bij voordelen uit hoofde van een gecontroleerd lichaam
Hoofdstuk VI Wijze van heffing
Hoofdstuk VII Aanvullende regelingen
Hoofdstuk VIIa Aanvullende documentatieverplichtingen verrekenprijzen
Hoofdstuk VIIb Algemene antimisbruikbepaling
Hoofdstuk VIII Overgangs- en slotbepalingen
- Artikel 30
- Artikel 31
- Artikel 31a
- Artikel 31b
- Artikel 31c
- Artikel 31d
- Artikel 32
- Artikel 33
- Artikel 33a
- Artikel 33b
- Artikel 33c
- Artikel 33d
- Artikel 34
- Artikel 34a
- Artikel 34b
- Artikel 34c
- Artikel 34d
- Artikel 34e
- Artikel 34f
- Artikel 34g
- Artikel 34h
- Artikel 34i
- Artikel 35
- Artikel 36
- Artikel 37
- Artikel 38
- Artikel 39
Afdeling 2.9b
Artikel 15be
-
Indien een belastingplichtige het bedrijf van bank uitoefent, komt bij het bepalen van de in een jaar genoten winst niet in aftrek het gedeelte van de renten ter zake van geldleningen dat wordt gesteld op (10,6-L)/(100-L). Daarbij wordt onder L verstaan de aangepaste leverage ratio met betrekking tot 31 december van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin het jaar, bedoeld in artikel 7, vierde lid, aanvangt. Indien geen kalenderjaar voorafgaat aan het kalenderjaar waarin het jaar, bedoeld in artikel 7, vierde lid, aanvangt, wordt onder L verstaan de aangepaste leverage ratio met betrekking tot 31 december van het kalenderjaar waarin het jaar, bedoeld in artikel 7, vierde lid, aanvangt. De aangepaste leverage ratio bedraagt ten hoogste 10,6.
-
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder aangepaste leverage ratio verstaan het op een decimaal afgeronde percentage dat volgt uit de berekening van de leverage ratio met betrekking tot de belastingplichtige ingevolge deel 7 van de verordening kapitaalvereisten, met dien verstande dat in die berekening bij het bepalen van de kapitaalmaatstaf met betrekking tot de belastingplichtige de kapitaalinstrumenten, genoemd in artikel 51 van de verordening kapitaalvereisten, buiten beschouwing blijven.
-
Voor de toepassing van het tweede lid wordt uitgegaan van de leverage ratio die met betrekking tot de belastingplichtige wordt berekend op basis van de geconsolideerde situatie, bedoeld in deel 1, titel II, hoofdstuk 2 van de verordening kapitaalvereisten, dan wel, indien met betrekking tot de belastingplichtige niet op basis van de geconsolideerde situatie een leverage ratio wordt berekend, van de leverage ratio die met betrekking tot de belastingplichtige wordt berekend op individuele basis, bedoeld in deel 1, titel II, hoofdstuk 1, van de verordening kapitaalvereisten.
Artikel 15bf
-
Indien een belastingplichtige het bedrijf van verzekeraar uitoefent, komt bij het bepalen van de in een jaar genoten winst niet in aftrek het gedeelte van de renten ter zake van geldleningen dat wordt gesteld op (10,6-ER)/(100-ER). Daarbij wordt onder ER verstaan de eigenvermogenratio op 31 december van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin het jaar, bedoeld in artikel 7, vierde lid, aanvangt. Indien geen kalenderjaar voorafgaat aan het kalenderjaar waarin het jaar, bedoeld in artikel 7, vierde lid, aanvangt, wordt onder ER verstaan de eigenvermogenratio op 31 december van het kalenderjaar waarin het jaar, bedoeld in artikel 7, vierde lid, aanvangt. De eigenvermogenratio bedraagt ten hoogste 10,6.
-
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder eigenvermogenratio verstaan het eigen vermogen uitgedrukt in een op een decimaal afgerond percentage van het balanstotaal zoals dat voor de groep waarvan de belastingplichtige deel uitmaakt, kan worden bepaald aan de hand van het openbaar gemaakte verslag over de solvabiliteit en financiële toestand van de groep, bedoeld in artikel 256 van de richtlijn solvabiliteit II. Daarbij wordt verstaan onder:
eigen vermogen:
- 1°
de bestanddelen, genoemd in artikel 69, onderdeel a, van de verordening solvabiliteit II, die de kenmerken, bedoeld in artikel 71 van die verordening, bezitten, met dien verstande dat het bestanddeel, genoemd in artikel 69, onderdeel a, onder vi, van die verordening, niet wordt verminderd met het element, genoemd in artikel 70, onderdeel b, van die verordening;
- 2°
de bestanddelen, genoemd in artikel 72, onderdeel a, van de verordening solvabiliteit II, die de kenmerken, bedoeld in artikel 73 van die verordening, bezitten;
- 3°
de bestanddelen, genoemd in artikel 74, onderdelen a, b, c, g en h, van de verordening solvabiliteit II, die de kenmerken, bedoeld in artikel 75 van die verordening, bezitten; en
- 4°
de bestanddelen, genoemd in artikel 76, onderdeel a, van de verordening solvabiliteit II, die de kenmerken, bedoeld in artikel 77 van die verordening, bezitten;
- 1°
balanstotaal: het totaal van de ingevolge artikel 296, eerste lid, onderdeel a, van de verordening solvabiliteit II beschreven activa.
-
Indien met betrekking tot de belastingplichtige niet een verslag over de solvabiliteit en financiële toestand van de groep wordt openbaar gemaakt als bedoeld in artikel 256 van de richtlijn solvabiliteit II, wordt voor de toepassing van het eerste lid onder eigenvermogenratio verstaan het eigen vermogen uitgedrukt in een op een decimaal afgerond percentage van het balanstotaal zoals dat voor de belastingplichtige kan worden bepaald aan de hand van het openbaar gemaakte rapport over de solvabiliteit en financiële positie, bedoeld in artikel 51 van die richtlijn.
-
Indien de belastingplichtige een verzekeraar met beperkte risico-omvang als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht is en ingevolge de artikelen 3:72, vijfde lid, of 3:73c, tweede lid, van die wet de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens openbaar maakt, wordt voor de toepassing van het eerste lid de eigenvermogenratio bepaald aan de hand van het daarin opgenomen eigen vermogen en balanstotaal.
Artikel 15bg
Ingeval een belastingplichtige in een jaar zowel het bedrijf van bank als het bedrijf van verzekeraar uitoefent, vindt in dat jaar artikel 15be of artikel 15bf toepassing, al naar gelang van welk van die bedrijfsactiviteiten van de belastingplichtige de omvang, bepaald aan de hand van het balanstotaal op 31 december van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin het jaar, bedoeld in artikel 7, vierde lid, aanvangt, het grootst is. Indien geen kalenderjaar voorafgaat aan het kalenderjaar waarin het jaar, bedoeld in artikel 7, vierde lid, aanvangt, wordt de omvang van de bedrijfsactiviteiten van de belastingplichtige in dat jaar bepaald aan de hand van het balanstotaal op 31 december van het laatstbedoelde kalenderjaar.
Artikel 15bh
Voor zover door de toepassing van artikel 15b bij het bepalen van de in een jaar genoten winst een saldo aan renten niet in aftrek komt, wordt voor de toepassing van de artikelen 15be en 15bf het gedeelte van de renten ter zake van geldleningen zoals dat op grond van die artikelen zonder toepassing van dit artikel niet in aftrek komt bij het bepalen van de in dat jaar genoten winst met dat saldo verminderd, doch niet verder dan tot nihil.