-
Bij het bepalen van de in een jaar genoten winst komt het saldo aan renten niet in aftrek voor zover dat meer bedraagt dan het hoogste van de volgende bedragen:
24,5% van de gecorrigeerde winst;
€ 1.000.000.
-
Het saldo aan renten is het bedrag aan rentelasten ter zake van geldleningen verminderd met het bedrag aan rentebaten ter zake van geldleningen, welke rentelasten en rentebaten zonder toepassing van dit artikel en vóór toepassing van de artikelen 15be en 15bf in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de in een jaar genoten winst. Het saldo aan renten bedraagt ten minste nihil.
-
De gecorrigeerde winst, bedoeld in het eerste lid, is de winst zoals die zonder toepassing van het eerste lid wordt bepaald:
vermeerderd met het bedrag van de afschrijvingen op een bedrijfsmiddel van het jaar zoals dat zonder toepassing van het zevende lid wordt bepaald;
vermeerderd met het bedrag van de afwaarderingen tot lagere bedrijfswaarde van een bedrijfsmiddel van het jaar en verminderd met het bedrag van de terugnamen van afwaarderingen tot lagere bedrijfswaarde van een bedrijfsmiddel van het jaar; en
vermeerderd met het saldo aan renten van het jaar, met uitzondering van het in dat saldo begrepen bedrag aan renten ter zake van geldleningen als bedoeld in het zesde lid, onderdeel d;
waarbij de gecorrigeerde winst ten minste op nihil wordt gesteld.
-
Onder het saldo aan renten worden niet begrepen rentelasten ter zake van geldleningen en rentebaten ter zake van geldleningen voor zover die deel uitmaken van winst uit een andere staat als bedoeld in artikel 15e waarop de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten van toepassing is.
-
Voor zover in een jaar het saldo aan renten ingevolge het eerste lid niet in aftrek komt, wordt dat voortgewenteld naar het volgende jaar en komt dat in aftrek bij het bepalen van de winst van dat jaar, voor zover het saldo aan renten van dat jaar lager is dan het hoogste van de bedragen, bedoeld in het eerste lid. Het in aftrek brengen van saldi aan renten die ingevolge het eerste lid niet in aftrek zijn gekomen, geschiedt in de volgorde waarin die saldi zijn ontstaan. De inspecteur stelt het voort te wentelen saldo aan renten van een jaar vast bij voor bezwaar vatbare beschikking.
-
Voor de toepassing van dit artikel:
wordt onder een geldlening verstaan: een vordering of schuld die voortvloeit uit een overeenkomst van geldlening of een daarmee vergelijkbare overeenkomst;
worden onder rentelasten ter zake van geldleningen mede begrepen: kosten ter zake van geldleningen en ter zake van rechtshandelingen die strekken tot het afdekken van renterisico’s of valutarisico’s ter zake van geldleningen;
worden onder rentelasten ter zake van geldleningen en rentebaten ter zake van geldleningen mede begrepen: valutaresultaten ter zake van geldleningen, alsmede resultaten ter zake van rechtshandelingen die strekken tot het afdekken van renterisico’s of valutarisico’s ter zake van geldleningen;
worden onder rentelasten ter zake van geldleningen mede begrepen: renten ter zake van geldleningen die vóór toepassing van het zevende lid als voortbrengingskosten van een activum worden geactiveerd, waarbij buiten beschouwing blijft dat die renten niet als zodanig in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de in een jaar genoten winst;
worden onder rentelasten ter zake van geldleningen mede begrepen: bedragen van dubbel in aanmerking genomen inkomen die op grond van artikel 12af, eerste lid, in aftrek komen bij het bepalen van de winst, voor zover deze bedragen door de toepassing van artikel 12af, tweede of derde lid, worden geacht te bestaan uit renteaftrek, onderscheidenlijk uit rentebaten.
-
Voor zover een bedrag aan renten als bedoeld in het zesde lid, onderdeel d, meer bedraagt dan het hoogste van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, worden die renten in afwijking van artikel 8 juncto artikel 3.25 en 3.29b van de Wet IB 2001, niet geactiveerd als voortbrengingskosten van het activum en komen die renten niet in aftrek bij het bepalen van de in een jaar genoten winst. Daarbij geldt dat indien het saldo aan renten in een jaar naast uit renten ter zake van geldleningen als bedoeld in het zesde lid, onderdeel d, bestaat uit overige rentelasten ter zake van geldleningen, die overige rentelasten in dat jaar bij voorrang niet in aftrek komen.
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Laatste controle 29-05-2026, laatste wijziging 25-05-2026 (Bron: wetten.overheid.nl).
Inhoud
Hoofdstuk I Belastingplicht
Hoofdstuk II Voorwerp van de belasting bij binnenlandse belastingplichtigen
Afdeling 2.1 Belastbaar bedrag
Afdeling 2.2 Algemene artikelen inzake bepaling van de winst
Afdeling 2.2a Hybridemismatches
Afdeling 2.3 Innovatiebox
Afdeling 2.4 Groepsrentebox
Afdeling 2.5 Deelnemingen
Afdeling 2.6 Bedrijfsfusie
Afdeling 2.7 Splitsing, juridische fusie en bestuurlijke herindeling of herschikking
Afdeling 2.8 Geruisloze terugkeer uit BV
Afdeling 2.9 Fiscale eenheid
Afdeling 2.9a Generieke renteaftrekbeperking
Afdeling 2.9b Minimumkapitaalregel voor banken en verzekeraars
Afdeling 2.10 Eindafrekening
Afdeling 2.10a Objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten
Afdeling 2.11 Aftrekbare giften
Hoofdstuk III Voorwerp van de belasting bij buitenlandse belastingplichtigen
Hoofdstuk IV Verrekening van verliezen
Hoofdstuk Va Deelnemingsverrekening, verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten en verrekening bij voordelen uit hoofde van een gecontroleerd lichaam
Hoofdstuk VI Wijze van heffing
Hoofdstuk VII Aanvullende regelingen
Hoofdstuk VIIa Aanvullende documentatieverplichtingen verrekenprijzen
Hoofdstuk VIIb Algemene antimisbruikbepaling
Hoofdstuk VIII Overgangs- en slotbepalingen
- Artikel 30
- Artikel 31
- Artikel 31a
- Artikel 31b
- Artikel 31c
- Artikel 31d
- Artikel 32
- Artikel 33
- Artikel 33a
- Artikel 33b
- Artikel 33c
- Artikel 33d
- Artikel 34
- Artikel 34a
- Artikel 34b
- Artikel 34c
- Artikel 34d
- Artikel 34e
- Artikel 34f
- Artikel 34g
- Artikel 34h
- Artikel 34i
- Artikel 35
- Artikel 36
- Artikel 37
- Artikel 38
- Artikel 39
Afdeling 2.9a
Artikel 15ba
-
Indien aannemelijk is dat in vergelijking met het begin van het oudste jaar waarvan een saldo aan renten als bedoeld in artikel 15b nog niet volledig in aftrek is gekomen, het uiteindelijke belang in de belastingplichtige in belangrijke mate is gewijzigd, worden de saldi aan renten die zijn ontstaan vóór het tijdstip waarop de wijziging heeft plaatsgevonden, in afwijking in zoverre van artikel 15b, vijfde lid, niet meer in aanmerking genomen bij het bepalen van de winst na het tijdstip van de bedoelde wijziging. Het saldo aan renten dat in het jaar waarin de wijziging, bedoeld in de eerste zin, heeft plaatsgevonden, is ontstaan na het tijdstip waarop die wijziging heeft plaatsgevonden, wordt in dat jaar niet in aanmerking genomen bij het bepalen van de winst genoten vóór het tijdstip van die wijziging. Voor de toepassing van de eerste en de tweede zin worden het saldo aan renten en de gecorrigeerde winst vóór en na het tijdstip van de wijziging, bedoeld in de eerste zin, in het jaar waarin de wijziging, bedoeld in de eerste zin, heeft plaatsgevonden afzonderlijk bepaald en wordt het bedrag, genoemd in artikel 15b, eerste lid, onderdeel b, in dat jaar naar tijdsgelang in aanmerking genomen.
-
Voor de toepassing van het eerste lid is artikel 20a, tweede tot en met achtste lid, tiende lid, onderdelen a, b en c, en elfde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de overeenkomstige toepassing van artikel 20a, vierde, zesde, zevende en elfde lid, voor verlies wordt gelezen: saldo aan renten.
Artikel 15bb
-
De inspecteur stelt het bedrag van het voort te wentelen saldo aan renten, bedoeld in artikel 15b, vijfde lid, vast bij voor bezwaar vatbare beschikking, gelijktijdig met de aanslag over het jaar waarin dat saldo is ontstaan. Het bedrag, bedoeld in de eerste zin, wordt op het aanslagbiljet afzonderlijk vermeld.
-
Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat het bedrag, bedoeld in het eerste lid, te hoog is vastgesteld, kan de inspecteur de beschikking, bedoeld in dat lid, herzien bij voor bezwaar vatbare beschikking. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor herziening opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, derde lid en vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 15bc
-
Het voortgewentelde saldo aan renten dat ingevolge artikel 15b, vijfde lid, in aftrek komt bij het bepalen van de winst van een jaar wordt door de inspecteur, gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over dat jaar, vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking.
-
Het bedrag van het in aftrek gekomen voortgewentelde saldo aan renten wordt op het aanslagbiljet afzonderlijk vermeld.
-
Rechtsmiddelen tegen de beschikking, bedoeld in het eerste lid, kunnen uitsluitend betrekking hebben op de toepassing van de artikelen 15b, vijfde lid, en 15ba.