Wet op de vennootschapsbelasting 1969

Inhoud
Hoofdstuk I Belastingplicht
Hoofdstuk II Voorwerp van de belasting bij binnenlandse belastingplichtigen
Afdeling 2.1 Belastbaar bedrag
Afdeling 2.2 Algemene artikelen inzake bepaling van de winst
Afdeling 2.2a Hybridemismatches
Afdeling 2.3 Innovatiebox
Afdeling 2.4 Groepsrentebox
Afdeling 2.5 Deelnemingen
Afdeling 2.6 Bedrijfsfusie
Afdeling 2.7 Splitsing, juridische fusie en bestuurlijke herindeling of herschikking
Afdeling 2.8 Geruisloze terugkeer uit BV
Afdeling 2.9 Fiscale eenheid
Afdeling 2.9a Generieke renteaftrekbeperking
Afdeling 2.9b Minimumkapitaalregel voor banken en verzekeraars
Afdeling 2.10 Eindafrekening
Afdeling 2.10a Objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten
Afdeling 2.11 Aftrekbare giften
Hoofdstuk III Voorwerp van de belasting bij buitenlandse belastingplichtigen
Hoofdstuk IV Verrekening van verliezen
Hoofdstuk V Tarief
Hoofdstuk Va Deelnemingsverrekening, verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten en verrekening bij voordelen uit hoofde van een gecontroleerd lichaam
Hoofdstuk VI Wijze van heffing
Hoofdstuk VII Aanvullende regelingen
Hoofdstuk VIIa Aanvullende documentatieverplichtingen verrekenprijzen
Hoofdstuk VIIb Algemene antimisbruikbepaling
Hoofdstuk VIII Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 12a

HISTORISCH
  1. Indien aannemelijk is dat op enig tijdstip het uiteindelijke belang in de belastingplichtige in belangrijke mate is gewijzigd, gelden in afwijking in zoverre van artikel 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001 de volgende regels:

    1. een ten tijde van die wijziging reeds gevormde herinvesteringsreserve wordt direct voorafgaande aan die wijziging aan de winst toegevoegd;

    2. na die wijziging kan een herinvesteringsreserve slechts worden gevormd ter zake van vervreemde bedrijfsmiddelen waarvan het besluit tot vervreemding is genomen na die wijziging.

    De eerste volzin is niet van toepassing indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat gedurende de laatste drie maanden voorafgaande aan de wijziging zijn bezittingen voor minder dan de helft hebben bestaan uit beleggingen.

  2. Voor de toepassing van het eerste lid blijft een wijziging van het uiteindelijke belang in de belastingplichtige buiten aanmerking voorzover:

    1. de wijziging voortvloeit uit een overgang krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht, of

    2. de wijziging betrekking heeft op een uitbreiding van het uiteindelijke belang van een natuurlijke persoon of rechtspersoon die bij het begin van het jaar waarin de herinvesteringsreserve is gevormd, reeds ten minste een derde deel van het uiteindelijke belang in de belastingplichtige had.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing indien het de belastingplichtige niet bekend is of bekend had kunnen zijn dat het uiteindelijke belang in de belastingplichtige in belangrijke mate is gewijzigd, mits de wijziging niet uitgaat boven hetgeen als gebruikelijk kan worden aangemerkt.

  4. Voor de toepassing van dit artikel:

    1. worden onder beleggingen mede begrepen liquide middelen alsmede onroerende zaken die zijn bestemd om direct of indirect ter beschikking te worden gesteld aan anderen dan met de belastingplichtige verbonden lichamen als bedoeld in artikel 10a, vierde lid;

    2. worden, bij een belastingplichtige die een onderneming drijft waarvan de werkzaamheden noodzakelijkerwijs meebrengen dat gelden worden belegd die aan hem, anders dan als eigen vermogen, zijn toevertrouwd door lichamen of natuurlijke personen die niet met hem zijn verbonden als bedoeld in artikel 10a, vierde onderscheidenlijk vijfde lid, de beleggingen die rechtstreeks samenhangen met die gelden niet als belegging aangemerkt.

11-07-2008 Huidig 01-01-2008 Historisch 01-11-2007 Historisch 01-08-2007 Historisch 01-07-2007 Historisch 09-03-2007 Historisch 06-02-2007 Historisch 01-01-2007 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 01-01-2007.

Tekst van deze versie

  1. Indien aannemelijk is dat op enig tijdstip het uiteindelijke belang in de belastingplichtige in belangrijke mate is gewijzigd, gelden in afwijking in zoverre van artikel 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001 de volgende regels:

    1. een ten tijde van die wijziging reeds gevormde herinvesteringsreserve wordt direct voorafgaande aan die wijziging aan de winst toegevoegd;

    2. na die wijziging kan een herinvesteringsreserve slechts worden gevormd ter zake van vervreemde bedrijfsmiddelen waarvan het besluit tot vervreemding is genomen na die wijziging.

    De eerste volzin is niet van toepassing indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat gedurende de laatste drie maanden voorafgaande aan de wijziging zijn bezittingen voor minder dan de helft hebben bestaan uit beleggingen.

  2. Voor de toepassing van het eerste lid blijft een wijziging van het uiteindelijke belang in de belastingplichtige buiten aanmerking voorzover:

    1. de wijziging voortvloeit uit een overgang krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht, of

    2. de wijziging betrekking heeft op een uitbreiding van het uiteindelijke belang van een natuurlijke persoon of rechtspersoon die bij het begin van het jaar waarin de herinvesteringsreserve is gevormd, reeds ten minste een derde deel van het uiteindelijke belang in de belastingplichtige had.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing indien het de belastingplichtige niet bekend is of bekend had kunnen zijn dat het uiteindelijke belang in de belastingplichtige in belangrijke mate is gewijzigd, mits de wijziging niet uitgaat boven hetgeen als gebruikelijk kan worden aangemerkt.

  4. Voor de toepassing van dit artikel:

    1. worden onder beleggingen mede begrepen liquide middelen alsmede onroerende zaken die zijn bestemd om direct of indirect ter beschikking te worden gesteld aan anderen dan met de belastingplichtige verbonden lichamen als bedoeld in artikel 10a, vierde lid;

    2. worden, bij een belastingplichtige die een onderneming drijft waarvan de werkzaamheden noodzakelijkerwijs meebrengen dat gelden worden belegd die aan hem, anders dan als eigen vermogen, zijn toevertrouwd door lichamen of natuurlijke personen die niet met hem zijn verbonden als bedoeld in artikel 10a, vierde onderscheidenlijk vijfde lid, de beleggingen die rechtstreeks samenhangen met die gelden niet als belegging aangemerkt.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Wet op de vennootschapsbelasting 1969