Veiligheidswet BES Laatste controle 30-03-2026, laatste wijziging 22-03-2026.

Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2 Politie
Hoofdstuk 3 Brandweerkorps voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Hoofdstuk 4 Brandweerzorg, rampenbestrijding en crisisbeheersing
Hoofdstuk 5 Samenwerking
Hoofdstuk 6 Financiën
Hoofdstuk 7 Toezicht
Hoofdstuk 8 Sancties en overige bepalingen
Hoofdstuk 9 Overgangs- en invoeringsbepalingen

§ 3

Voorbereiding van de rampenbestrijding en de crisisbeheersing

Artikel 41

  1. Onze Minister kan doelstellingen vaststellen ten aanzien van de rampenbestrijding en de crisisbeheersing.

  2. Onze Minister zendt het besluit waarbij hij de doelstellingen heeft vastgesteld toe aan de bestuurscolleges alsmede aan de Staten-Generaal.

  3. Onze Minister voert, mede met het oog op eventueel vast te stellen doelstellingen als bedoeld in het eerste lid periodiek overleg met de gezaghebbers.

Artikel 42

  1. Het bestuurscollege stelt, na overleg met de algemeen commandant, ten minste eenmaal in de vier jaar een beleidsplan vast, waarin het beleid is vastgelegd ten aanzien van de brandweerzorg, de rampenbestrijding en de crisisbeheersing.

  2. Het beleidsplan omvat in ieder geval:

    1. een beschrijving van de beoogde operationele prestaties van de diensten en organisaties van het openbaar lichaam, van het brandweerkorps en van de politie in het kader van de rampenbestrijding en de crisisbeheersing;

    2. een uitwerking van door Onze Minister vastgestelde doelstellingen als bedoeld in artikel 41, eerste lid;

    3. een informatieparagraaf waarin een beschrijving wordt gegeven van de informatievoorziening binnen en tussen de onder a bedoelde diensten en organisaties;

    4. een oefenbeleidsplan;

    5. een beschrijving van de niet-wettelijke adviesfunctie van de eilandelijke rampencoördinator, bedoeld in artikel 48, derde lid;

    6. een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen, noodzakelijk voor de brandweer om te voldoen aan de gestelde opkomsttijden.

  3. Het beleidsplan wordt tussentijds geactualiseerd, indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven.

  4. Het beleidsplan is afgestemd met het beheersplan van het politiekorps, bedoeld in artikel 23, en het beheersplan van het brandweerkorps, als bedoeld in artikel 29, en zo mogelijk afgestemd met een vergelijkbaar plan van omringende eilanden.

  5. Het bestuurscollege zendt het beleidsplan en de wijzigingen daarop binnen een maand na vaststelling ter toetsing toe aan de Rijksvertegenwoordiger en ter kennisneming aan Onze Minister, de algemeen commandant, en de bestuurscolleges van de andere openbare lichamen.

  6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de inhoud van het beleidsplan.

Artikel 43

  1. Het beleidsplan, bedoeld in artikel 42, is mede gebaseerd op een door het bestuurscollege vastgesteld risicoprofiel.

  2. Het risicoprofiel bestaat uit:

    1. een overzicht van de risicovolle situaties binnen het openbaar lichaam die tot een brand, ramp of crisis kunnen leiden;

    2. een overzicht van de soorten branden, rampen en crises die zich in het openbaar lichaam kunnen voordoen; en

    3. een analyse waarin de weging en inschatting van de gevolgen van de soorten branden, rampen en crises zijn opgenomen.

  3. Het bestuurscollege nodigt voor de vaststelling van het risicoprofiel in ieder geval de lokaal commandant, de hoofdofficier van justitie en de door Onze andere Ministers daartoe aangewezen functionarissen uit hun zienswijze ter zake kenbaar te maken.

  4. De bestuurscolleges gezamenlijk nodigen ten minste eenmaal per jaar de bij mogelijke rampen en crises in de openbare lichamen betrokken partijen uit voor een gezamenlijk overleg over de risico’s in de openbare lichamen. Een betrokken partij kan een verzoek richten aan de bestuurscolleges tot het houden van een gezamenlijk overleg.

Artikel 44

  1. Het bestuurscollege stelt na overleg met de algemeen commandant ten minste eenmaal per vier jaar een rampen- en crisisplan vast. Het plan omvat in ieder geval een beschrijving van de organisatie, de verantwoordelijkheden, de taken en de bevoegdheden in het kader van de rampenbestrijding en de crisisbeheersing alsmede de afspraken die zijn gemaakt met andere bij mogelijke rampen en crisis betrokken partijen.

  2. Ten aanzien van de organisatie, verantwoordelijkheden, taken en bevoegdheden in het kader van de rampenbestrijding en de crisisbeheersing bevat het plan in ieder geval:

    1. een overzicht van degene die bij de bestrijding van rampen en crisis kunnen worden betrokken alsmede de afspraken over de personele en materiële inzet;

    2. een schema met betrekking tot de leiding over en de gecoördineerde inzet bij de bestrijding van rampen en crisis;

    3. een plan met betrekking tot de wijze waarop de informatie, bedoeld in de artikelen 50, eerste en tweede lid, 52 en 54, eerste en tweede lid, wordt verschaft, alsmede een plan met betrekking tot de waarschuwing van de bevolking;

    4. een plan met betrekking tot de opvang, de verzorging en de nazorg van slachtoffers.

  3. Het rampen- en crisisplan wordt tussentijds geactualiseerd, indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven.

  4. Het plan is zo mogelijk afgestemd met een vergelijkbaar plan van omringende eilanden.

  5. Het bestuurscollege zendt het rampen- en crisisplan en wijzigingen daarop binnen een maand na vaststelling ter toetsing toe aan de Rijksvertegenwoordiger en ter kennisneming aan Onze Minister, de algemeen commandant en de hoofdofficier van justitie alsmede de bestuurscolleges van de andere openbare lichamen en het bevoegd gezag dat in Aruba, Curaçao en Sint Maarten belast is met het vaststellen van een vergelijkbaar plan.

  6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de inhoud van het rampen- en crisisplan.

Artikel 45

  1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën inrichtingen, categorieën rampen en luchtvaartterreinen worden aangewezen waarvoor de gezaghebber een rampbestrijdingsplan vaststelt.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, worden nadere regels gesteld omtrent:

    1. de inhoud van het plan;

    2. het raadplegen van de bevolking bij het opstellen van het plan en van belangrijke wijzigingen van dat plan;

    3. het periodiek beproeven en actualiseren van het plan;

    4. de bekendmaking van een besluit als bedoeld in het vierde lid.

  3. De gezaghebber zendt het rampbestrijdingsplan en de wijzigingen daarop binnen een maand na vaststelling ter toetsing toe aan de Rijksvertegenwoordiger en ter kennisneming aan Onze Minister, de algemeen commandant en de hoofdofficier van justitie, alsmede de gezaghebbers van de andere openbare lichamen en het bevoegd gezag dat in Aruba, Curaçao en Sint Maarten belast is met het vaststellen van een vergelijkbaar plan.

  4. De gezaghebber, gehoord de algemeen commandant, kan op grond van de ingevolge artikel 51, eerste lid, verschafte informatie besluiten dat voor een krachtens het eerste lid aangewezen inrichting geen rampbestrijdingsplan behoeft te worden vastgesteld. De gezaghebber meldt dit aan de Rijksvertegenwoordiger en verschaft hem daartoe de nodige informatie.

Artikel 46

  1. Indien het bevoegde bestuursorgaan verzuimt een rampen- en crisisplan, een rampbestrijdingsplan of beleidsplan vast te stellen, nodigt de Rijksvertegenwoordiger dat bestuursorgaan uit om het plan binnen drie maanden vast te stellen.

  2. Indien de Rijksvertegenwoordiger van oordeel is dat het rampen- en crisisplan, het rampbestrijdingsplan of het beleidsplan niet aan de wettelijke eisen voldoet, nodigt hij het tot vaststellen bevoegde bestuursorgaan binnen drie maanden nadat het plan is ontvangen uit het plan binnen door hem vast te stellen termijn te wijzigen.

  3. Indien de Rijksvertegenwoordiger van oordeel is dat het rampen- en crisisplan, het rampbestrijdingsplan of beleidsplan niet meer actueel is, nodigt hij het tot vaststellen bevoegde bestuursorgaan uit het plan binnen een door hem vast te stellen termijn te wijzigen.

  4. Indien het bestuursorgaan geen gevolg geeft aan een uitnodiging op grond van het eerste, tweede of derde lid, stelt de Rijksvertegenwoordiger het plan onderscheidenlijk de wijziging daarvan binnen zes maanden op kosten van het openbaar lichaam vast.

  5. Alvorens de bevoegdheden, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, toe te passen, treedt de Rijksvertegenwoordiger in overleg met het tot vaststellen bevoegde bestuursorgaan.

Artikel 47

  1. De Rijksvertegenwoordiger stelt na overleg met de gezaghebbers ten minste eenmaal in de vier jaar een coördinatieplan vast, waarin in ieder geval is opgenomen:

    1. een schema met betrekking tot de leiding over en de gecoördineerde inzet van diensten en organisaties bij de bestrijding van een ramp of een crisis van boveneilandelijke betekenis;

    2. de afstemming van de rampenbestrijding en de crisisbeheersing met andere landen;

    3. gegevens over het verzoeken en verlenen van bijstand, als bedoeld in artikel 58.

  2. Het plan, bedoeld in het eerste lid wordt tussentijds geactualiseerd, indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven.

  3. Het plan worden uiterlijk een maand na vaststelling ter kennisneming aan de korpsbeheerder brandweer, aan de gezaghebbers alsmede aan de procureur-generaal gezonden.

Artikel 48

  1. In elk van de openbare lichamen vervult de eilandsecretaris de functie van eilandelijk rampencoördinator.

  2. De eilandelijk rampencoördinator is in elk geval belast met:

    1. de coördinatie van de maatregelen en voorzieningen die het openbaar lichaam treft met het oog op een ramp of crisis;

    2. het adviseren van het bevoegd gezag over risico’s van rampen en crises in de bij of krachtens de wet aangewezen gevallen alsmede in de gevallen die in het beleidsplan zijn bepaald.

  3. Het bestuurscollege kan de eilandelijk rampencoördinator belasten met andere taken die verband houden met de taak, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 49

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over:

  1. de organisatie van de rampenbestrijding en de crisisbeheersing;

  2. de organisatie van de geneeskundige hulpverlening;

  3. de bevolkingszorg in het kader van de rampenbestrijding en de crisisbeheersing;

  4. de organisatie van de brandweerzorg.

Artikel 50

  1. Het bestuurscollege draagt er zorg voor dat Onze Minister, de Rijksvertegenwoordiger, de algemeen commandant en de hoofdofficier van justitie informatie wordt verschaft over de rampen en de crises die het openbaar lichaam kunnen treffen, en over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding of beheersing hiervan.

  2. Het bestuurscollege draagt er zorg voor dat de bevolking informatie wordt verschaft over de rampen en de crises die het openbaar lichaam kunnen treffen, over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding of beheersing daarvan en over de daarbij te volgen gedragslijn.

  3. Het bestuurscollege draagt er zorg voor dat de bij de rampenbestrijding en de crisisbeheersing in het openbaar lichaam betrokken personen informatie wordt verschaft over de rampen en crises die het openbaar lichaam kunnen treffen, de risico’s die hun inzet kan hebben voor hun gezondheid en de voorzorgsmaatregelen die in verband daarmee zijn of zullen worden getroffen.

  4. Het bestuurscollege stemt zijn informatievoorziening, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, af met de informatievoorziening door of onder verantwoordelijkheid van Onze bij rampen en crises betrokken Ministers.

Artikel 51

  1. Eenieder die beschikt over relevante veiligheidstechnische gegevens verschaft het bestuurscollege de informatie die nodig is voor een adequate voorbereiding van de rampenbestrijding en de crisisbeheersing. Dit geldt niet voor zover deze informatie reeds op grond van andere voorschriften is verschaft of kan worden verkregen.

  2. Het bestuurscollege kan bevelen dat een inrichting die behoort tot een krachtens artikel 45, eerste lid, aangewezen categorie niet in werking gesteld of gehouden wordt, indien degene die de inrichting in werking zal hebben of heeft, niet aan de in het eerste lid bedoelde verplichting tot informatieverschaffing voldoet.

  3. Degene die een inrichting drijft die behoort tot een krachtens artikel 45, eerste lid, aangewezen categorie, is verplicht:

    1. aan het bestuurscollege een actueel bijgehouden document te verschaffen waarin het door hem gevoerde beleid ter voorkoming van zware ongevallen, rekening houdend met de aanwezigheid en de omvang van de risico’s, is vastgelegd;

    2. een voor eenieder te raadplegen lijst van in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen bij te houden.

  4. Indien voor gegevens als bedoeld in het eerste lid of een deel daarvan geheimhouding door het belang van de veiligheid van de Staat geboden is, verstrekt degene die daarover beschikt op aanwijzing van Onze betrokken Minister deze gegevens tezamen met de gegevens waarvoor geheimhouding niet is geboden, aan Onze betrokken Minister.

  5. Indien degene die beschikt over gegevens als bedoeld in het eerste lid van mening is dat deze gegevens of een deel daarvan niet kunnen worden verstrekt omdat geheimhouding daarvan door het belang van de veiligheid van de Staat is geboden, verstrekt hij deze gegevens tezamen met de gegevens waarvoor naar zijn mening geheimhouding niet is geboden, aan Onze betrokken Minister.

  6. Onze betrokken Minister verstrekt de informatie op basis van de gegevens, bedoeld in het vierde en vijfde lid, aan het bestuurscollege nadat hij deze in overleg met Onze Minister zodanig heeft bewerkt, dat de gegevens waarvoor geheimhouding geboden is, daarin niet voorkomen of daaruit niet kunnen worden afgeleid.

Artikel 52

  1. Het bestuurscollege maakt de gegevens openbaar die het krachtens artikel 51 heeft ontvangen ten behoeve van de vaststelling van rampbestrijdingsplannen voor de krachtens artikel 45 aangewezen categorieën inrichtingen en luchtvaartterreinen.

  2. In afwijking van artikel 11, tweede lid, van de Wet openbaarheid van bestuur BES blijft het verstrekken van informatie op basis van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

    1. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

    2. het voorkomen van sabotage.

  3. Indien een verzoek tot het verstrekken van informatie over de overige gegevens die zijn ontvangen krachtens artikel 51, eerste lid, of over de gegevens die zijn ontvangen krachtens artikel 56, eerste en tweede lid, betrekking heeft op inrichtingen, aangewezen op grond van artikel 45 van deze wet, kan verstrekking op grond van artikel 11, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet openbaarheid van bestuur slechts achterwege blijven voor zover die gegevens een vertrouwelijk karakter hebben.

  4. Artikel 11, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet openbaarheid van bestuur BES is op het op verzoek verstrekken van informatie over gegevens als bedoeld in het derde lid uitsluitend van toepassing.

  5. Artikel 11, tweede lid, aanhef en onder f, van de Wet openbaarheid van bestuur BES is op het op verzoek verstrekken van informatie over gegevens als bedoeld in het derde lid uitsluitend van toepassing, voor zover het gegevens betreft die afbreuk kunnen doen aan de mogelijkheid van het voorkomen van sabotage.

← terug naar Veiligheidswet BES