Veiligheidswet BES Laatste controle 29-03-2026, laatste wijziging 22-03-2026.

Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2 Politie
Hoofdstuk 3 Brandweerkorps voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Hoofdstuk 4 Brandweerzorg, rampenbestrijding en crisisbeheersing
Hoofdstuk 5 Samenwerking
Hoofdstuk 6 Financiën
Hoofdstuk 7 Toezicht
Hoofdstuk 8 Sancties en overige bepalingen
Hoofdstuk 9 Overgangs- en invoeringsbepalingen

Hoofdstuk 2

Politie

Artikel 2

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Ministers worden nadere regels gesteld over de inrichting en organisatie van het politiekorps, waarbij in ieder geval wordt voorzien in de taakgebieden, genoemd in artikel 7, tweede lid, onder a tot en met d, van de rijkswet, alsmede in een meldkamerfunctie ten behoeve van de politietaak.

Artikel 3

Zij die op grond van artikel 185 van het Wetboek van Strafvordering BES en de buitengewone agenten van politie die tot opsporing van strafbare feiten bevoegd zijn, werken samen met de politie.

Artikel 4

Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Ministers worden regels gesteld over de taken die kunnen worden uitgevoerd door ambtenaren als bedoeld in artikel 3, onder c, van de rijkswet.

Artikel 5

  1. Aan de Koninklijke marechaussee zijn, onverminderd het bepaalde bij of krachtens andere wetten, de volgende politietaken opgedragen:

    1. het waken voor de veiligheid van de leden van het Koninklijk Huis, in samenwerking met andere daartoe aangewezen organen;

    2. de uitvoering van de politietaak ten behoeve van de Nederlandse en andere strijdkrachten en ten aanzien van tot die strijdkrachten behorende personen;

    3. de uitvoering van de politietaak op de door Onze Ministers en Onze Minister van Defensie aangewezen luchthavens op Bonaire, Sint Eustatius en Saba alsmede de beveiliging van de burgerluchtvaart;

    4. de verlening van bijstand alsmede de samenwerking met de politie krachtens deze wet, daaronder begrepen de assistentieverlening aan de politie bij de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit;

    5. de uitvoering van de politietaak op plaatsen onder beheer van Onze Minister van Defensie en op verboden plaatsen die krachtens de Wet bescherming staatsgeheimen ten behoeve van de landsverdediging zijn aangewezen;

    6. de uitvoering van de bij of krachtens de Wet toelating en uitzetting BES opgedragen taken, waaronder begrepen de bediening van de daartoe door Onze Minister van Justitie aangewezen doorlaatposten en het, voor zover in dat verband noodzakelijk, uitvoeren van de politietaak op en nabij deze doorlaatposten, alsmede het verlenen van medewerking bij de aanhouding of voorgeleiding van een verdachte of veroordeelde;

    7. de bestrijding van mensensmokkel en van fraude met reis- en identiteitsdocumenten;

    8. het in opdracht van Onze Ministers van Justitie en van Defensie ten behoeve van De Nederlandse Bank N.V. verrichten van beveiligingswerkzaamheden;

    9. de uitvoering van de politietaak in Sint Eustatius en Saba onverminderd de politietaken van het politiekorps.

  2. Onder personen die behoren tot de andere strijdkrachten, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden mede begrepen personen, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Defensie.

  3. Onze Minister van Justitie kan de commandant van de Koninklijke marechaussee de nodige algemene en bijzondere aanwijzingen geven, voor zover het betreft:

    1. de uitoefening van de taken, bedoeld in het eerste lid, onder a en h;

    2. het waken voor de veiligheid van door Onze Minister van Justitie aangewezen personen als bedoeld in het eerste lid, onder b;

    3. de uitoefening van de taak, bedoeld in het eerste lid, onder c, ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de beveiliging van de burgerluchtvaart.

  4. De politietaak, bedoeld in het eerste lid, onder i, wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de korpschef. Hij bepaalt, na overleg met de commandant van de Koninklijke marechaussee, de inzet van de militairen van de Koninklijke marechaussee.

  5. De Koninklijke marechaussee is tevens belast met de informatievoorziening ten behoeve van de opsporing van misdrijven door de Kustwacht voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten alsmede voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, voor zover het betreft misdrijven als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, van de Wet politiegegevens.

Artikel 6

  1. Behoeft de gezaghebber bij de handhaving van de openbare orde bijstand van een onderdeel van de krijgsmacht, dan richt hij een verzoek daartoe aan de Rijksvertegenwoordiger. De Rijksvertegenwoordiger richt zich met het verzoek tot Onze Minister van Defensie.

  2. Onze Minister van Defensie verleent, na overleg met Onze Minister en, indien het mede betrekking heeft op de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel de taken ten dienste van de justitie, met Onze Minister van Justitie, bijstand door de Koninklijke marechaussee, tenzij dringende reden zich daartegen verzetten.

  3. In bijzondere gevallen verleent Onze Minister van Defensie, na overleg met Onze Minister en, indien het mede betrekking heeft op de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel de taken ten dienste van de justitie, met Onze Minister van Justitie, bijstand door andere onderdelen van de krijgsmacht.

  4. De gezaghebber bepaalt, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie, de wijze waarop de bijstand wordt verleend.

Artikel 7

  1. Behoeft de procureur-generaal voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel voor het verrichten van taken ten dienste van de justitie bijstand van een onderdeel van de krijgsmacht, dan richt hij door tussenkomst van de Rijksvertegenwoordiger een verzoek daartoe aan Onze Minister van Defensie.

  2. Onze Minister van Defensie verleent, na overleg met Onze Minister van Justitie en, indien het mede betrekking heeft op de handhaving van de openbare orde, met Onze Minister, bijstand door de Koninklijke marechaussee, tenzij dringende reden zich daartegen verzetten.

  3. In bijzondere gevallen verleent Onze Minister van Defensie, na overleg met Onze Minister van Justitie en, indien het mede betrekking heeft op de handhaving van de openbare orde, met Onze Minister, bijstand door andere onderdelen van de krijgsmacht.

  4. De procureur-generaal bepaalt, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie, op welke wijze bijstand wordt verleend.

  5. Behoeft de procureur-generaal bijstand door een bijstandseenheid als bedoeld in artikel 59, eerste lid, van de Politiewet 2012, dan richt hij door tussenkomst van de Rijksvertegenwoordiger een verzoek daartoe aan Onze Minister van Justitie. Artikel 59, derde, vierde en vijfde lid, van de Politiewet 2012 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8

  1. Voor zover de Koninklijke marechaussee optreedt ter handhaving van de openbare orde staat zij onder gezag van de gezaghebber. Voor zover de Koninklijke marechaussee optreedt ter strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel taken verricht ten dienste van de justitie, staat zij onder gezag van de procureur-generaal, tenzij in enige wet anders is bepaald. Het hoofd van het onderdeel van de Koninklijke marechaussee neemt deel aan het overleg, bedoeld in artikel 19 van de rijkswet.

  2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de militair van enige ander onderdeel van de krijgsmacht, indien hij bijstand verleent aan de politie.

Artikel 9

  1. In bijzondere gevallen kan door het politiekorps bijstand worden verleend aan de Koninklijke marechaussee met inachtneming van het tweede en derde lid.

  2. Behoeft de Koninklijke marechaussee bijstand van het politiekorps voor de handhaving van de openbare orde, dan richt Onze Minister van Defensie op aanvraag van de gezaghebber een verzoek daartoe door tussenkomst van de Rijksvertegenwoordiger aan Onze Minister. Onze Minister treft de nodige voorzieningen en stelt Onze Ministers van Defensie en van Justitie hiervan in kennis.

  3. Behoeft de Koninklijke marechaussee bijstand van het politiekorps voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel voor het verrichten van taken ten dienste van de justitie, dan richt Onze Minister van Defensie op aanvraag van de hoofdofficier van justitie een verzoek daartoe aan de procureur-generaal. De procureur-generaal brengt de aanvraag ter kennis van Onze Minister, die de nodige voorzieningen treft en Onze Ministers van Defensie en van Justitie daarvan in kennis stelt.

Artikel 10

  1. Onze Ministers gezamenlijk kunnen objecten en diensten aanwijzen waarvan bewaking en beveiliging door de politie noodzakelijk is in het belang van de veiligheid van de Staat of de betrekkingen van Nederland met andere mogendheden, dan wel met het oog op zwaarwegende belangen van de samenleving.

  2. De gezaghebber draagt zorg voor de uitvoering van een besluit als bedoeld in het eerste lid voor zover dat geschiedt ter handhaving van de openbare orde.

  3. De procureur-generaal draagt zorg voor de uitvoering van een besluit als bedoeld in het eerste lid voor zover dat geschiedt ter strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde.

Artikel 11

  1. De ambtenaren die door Onze Minister van Justitie zijn aangewezen voor het vervoer van rechtens van hun vrijheid beroofde personen, kunnen de bevoegdheden, bedoeld in artikel 13, eerste en vierde lid, van de rijkswet, uitoefenen dan wel de maatregelen treffen die worden genoemd in de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 14, derde lid, van de rijkswet, voor zover dit noodzakelijk is met het oog op de voorkoming van het zich onttrekken van de te vervoeren persoon aan het op hem uitgeoefende toezicht. De eerste volzin is van toepassing voor zover de rechtens van hun vrijheid beroofde personen zijn ondergebracht bij de politie of de Koninklijke marechaussee.

  2. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 14, derde lid, van de rijkswet, is van overeenkomstige toepassing op personen die ten behoeve van de hulpverlening aan hen zijn ondergebracht bij de politie of de Koninklijke marechaussee.

Artikel 12

De Rijksvertegenwoordiger geeft, indien een ordeverstoring van boveneilandelijke betekenis dan wel ernstige vrees voor het ontstaan daarvan zulks noodzakelijk maakt, de gezaghebber, zoveel mogelijk na overleg met hem, de nodige aanwijzingen met betrekking tot het door hem ter handhaving van de openbare orde te voeren beleid. De aanwijzingen worden zo enigszins mogelijk schriftelijk gegeven.

Artikel 13

  1. Ten behoeve van de toepassing van de artikelen 10, tweede lid, en 12 verstrekken de gezaghebbers, de Rijksvertegenwoordiger en Onze Minister elkaar de gewenste inlichtingen.

  2. Onze Minister kan regels geven ter uitvoering van het eerste lid.

Artikel 14

  1. Het politiekorps registreert gegevens voor door Onze Ministers te bepalen doeleinden en door hen te bepalen categorieën dan wel in door hen aan te wijzen wettelijk geregelde registers en verstrekt deze gegevens aan door hen aan te wijzen personen en instanties, onverminderd het bepaalde bij of krachtens de Wet politiegegevens.

  2. Onze Ministers kunnen bepalen dat in door hen aan te wijzen registers geen andere dan de in het eerste lid bedoelde gegevens worden geregistreerd en dat door hen aan te wijzen categorieën van gegevens in geen andere dan door hen aan te wijzen registers worden geregistreerd.

  3. Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Ministers worden met inachtneming van de onderlinge regeling, bedoeld in artikel 39, tweede lid, van de rijkswet, regels gesteld over de wijze waarop gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden verwerkt en op welke wijze bestandsvergelijking met die gegevens plaatsvindt.

Artikel 15

Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over de kleding van de politie.

Artikel 16

  1. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld over de behandeling van klachten over gedragingen van ambtenaren van politie.

  2. In de regels, bedoeld in het eerste lid, wordt voorzien in:

    1. de instelling van een commissie, bestaande uit onafhankelijke leden, die op de wijze in de regeling te bepalen is belast met de behandeling van en advisering over in de regeling aangewezen categorieën van klachten, waarbij zo nodig aandacht wordt geschonken aan de in onderdeel c genoemde aspecten;

    2. de registratie van de mondeling en schriftelijk ingediende klachten en, indien beschikbaar, de daarop genomen beslissingen, alsmede

    3. een jaarlijkse publicatie van de geregistreerde klachten en beslissingen, waarin wordt aangegeven in hoeverre klachten wijzen op structurele tekortkomingen in het functioneren van de politie en waarin, zo nodig, aandacht wordt geschonken aan de middelen om deze tekortkomingen op te heffen.

  3. Afdeling 9.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de behandeling van klachten als bedoeld in het tweede lid, onder a. Indien een commissie over de klacht zal adviseren, deelt de korpschef dit, in afwijking van artikel 9:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zo spoedig mogelijk aan de indiener van de klacht mede.

Artikel 17

  1. Bij regeling van Onze Ministers worden nadere regels gesteld ten aanzien van de behandeling van klachten over gedragingen van buitengewone agenten van politie.

  2. Bij regeling van Onze Minister van Defensie worden nadere regels gesteld ten aanzien van de behandeling van klachten over gedragingen van militairen van de Koninklijke marechaussee dan wel van enig ander onderdeel van de krijgsmacht bij de uitvoering van hun in deze wet omschreven taken.

  3. Artikel 16, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 18

  1. De korpsbeheerder politie draagt zorg voor de behandeling van een klacht die is ingediend over een gedraging van de ambtenaar van politie, aangesteld bij het politiekorps.

  2. Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, draagt zorg voor de behandeling van een klacht die is ingediend over een gedraging van een buitengewoon agent van politie.

  3. Onze Minister van Defensie draagt zorg voor de behandeling van een klacht die is ingediend over een gedraging van een militair van de Koninklijke marechaussee dan wel van enig ander onderdeel van de krijgsmacht bij de uitvoering van zijn in deze wet omschreven taken.

Artikel 19

  1. Een klacht over een gedraging van een ambtenaar van politie, een buitengewoon agent van politie of van een militair van de Koninklijke marechaussee dan wel van enig ander onderdeel van de krijgsmacht bij de uitvoering van zijn in deze wet omschreven taken, wordt ingediend bij de korpsbeheerder politie.

  2. Een klacht over een gedraging van een buitengewoon agent van politie kan ook worden ingediend bij Onze Minister van Justitie.

  3. Een klacht over een gedraging van een militair van de Koninklijke marechaussee dan wel enig ander onderdeel van de krijgsmacht bij de uitvoering van zijn in deze wet omschreven taken, kan ook worden ingediend bij Onze Minister van Defensie.

  4. De korpsbeheerder politie draagt zorg voor een onverwijlde doorzending van een klacht als bedoeld in het tweede en derde lid aan Onze Minister van Justitie respectievelijk Onze Minister van Defensie.

  5. Na ontvangst van de klacht wordt een afschrift ervan gezonden aan de gezaghebber van het openbaar lichaam waar de gedraging waarover wordt geklaagd, heeft plaatsgevonden, alsmede aan de hoofdofficier van justitie. De gezaghebber en de hoofdofficier van justitie worden in de gelegenheid gesteld over de klacht advies uit te brengen.

Artikel 20

In afwijking van artikel 9:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt de klacht afgehandeld binnen tien weken of, indien een commissie als bedoeld in artikel 16, tweede lid, onder a, is belast met de behandeling van en advisering over de klacht, binnen veertien weken na de ontvangst van de klacht.

Artikel 21

  1. Onze Minister is belast met het aanstellen, bevorderen, schorsen en ontslaan van ambtenaren van politie, met dien verstande dat plaatsing van ambtenaren van politie die uitsluitend of in hoofdzaak belast zijn met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel het verrichten van taken ten dienste van de justitie, niet geschiedt dan na overleg met de procureur-generaal. Indien de taakvervulling van een zodanige ambtenaar van politie dit naar het oordeel van de procureur-generaal noodzakelijk maakt, draagt de korpsbeheerder politie voor vervanging zorg.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister worden voor de politie regels gesteld over:

    1. de rechtspositie van de ambtenaren van politie;

    2. de keuring en de controle op de lichamelijke en geestelijke geschiktheid van ambtenaren van politie.

Artikel 22

  1. Het lid van de leiding van het politiekorps dat in het bijzonder verantwoordelijk is voor de recherchefunctie, wordt benoemd, geschorst en ontslagen bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, gehoord de procureur-generaal.

  2. Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister wordt bepaald welke andere ambtenaren van politie die deel uitmaken van de leiding van het politiekorps, worden benoemd, geschorst en ontslagen bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, gehoord de procureur-generaal.

  3. Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister kan worden bepaald welke andere ambtenaren van politie dan die bedoeld in het eerste en tweede lid, worden benoemd, geschorst en ontslagen bij koninklijk besluit.

Artikel 23

  1. De korpschef stelt na overleg met de hoofdofficier van justitie en de gezaghebbers, in overeenstemming met de procureur-generaal en met inachtneming van artikel 24, vierde lid, ten minste eenmaal in de vier jaar het ontwerp van het beheersplan voor het politiekorps op. Voorafgaand aan het opstellen van het ontwerp van het beheersplan worden de eilandsraden gehoord over de lokale prioriteiten.

  2. De korpschef zendt het ontwerp van het beheersplan ter vaststelling aan de korpsbeheerder politie. De korpschef zendt de stukken ter kennisneming aan de eilandsraden, de Rijksvertegenwoordiger, de procureur-generaal en de hoofdofficier van justitie.

  3. Indien de in het eerste lid vereiste overeenstemming niet kan worden bereikt, legt de korpschef de verschillen in zienswijze schriftelijk vast. Onze Minister beslist daarop, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, gehoord de procureur-generaal. De korpschef brengt de stukken in overeenstemming met de beslissing van Onze Minister.

  4. De korpsbeheerder politie stelt, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, het beheersplan vast.

  5. Zodra het beheersplan is vastgesteld, zendt de korpschef dit aan de eilandsraden, de Rijksvertegenwoordiger, de procureur-generaal en de hoofdofficier van justitie.

  6. De korpsbeheerder politie nodigt de hoofdofficier van justitie en de gezaghebbers uit deel te nemen aan het overleg over het beheer van de politie, bedoeld in artikel 48, vijfde lid, van de rijkswet.

Artikel 24

  1. Onze Ministers stellen ten minste eenmaal in de vier jaar de hoofdlijnen vast met betrekking tot het te voeren beleid ten aanzien van de taakuitvoering van de politie en het te voeren beheer van de politie voor de eerstkomende vier jaar.

  2. Zodra de hoofdlijnen, bedoeld in het eerste lid, zijn vastgesteld, doen Onze Ministers hiervan mededeling door overlegging ervan aan de Staten-Generaal en door toezending ervan aan de korpsbeheerder politie, de procureur-generaal, de hoofdofficier van justitie en de korpschef.

  3. Op basis en binnen het kader van de hoofdlijnen, bedoeld in het eerste lid, stellen Onze Ministers ten minste eenmaal in de vier jaar doelstellingen vast ter verwezenlijking van voornoemde hoofdlijnen. Voor zover het de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde betreft dan wel de vervulling van taken ten dienste van de justitie, wint Onze Minister van Justitie voorafgaand het advies in van de procureur-generaal.

  4. In het beheersplan, bedoeld in artikel 23, wordt aangegeven op welke wijze wordt beoogd de doelstellingen te verwezenlijken.

  5. De resultaten die in het voorafgaande jaar zijn behaald met de verwezenlijking van de doelstellingen, maken deel uit van het jaarplan, bedoeld in artikel 48 van de rijkswet.

  6. Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van het derde, vierde en vijfde lid.

Artikel 26

De korpsbeheerder politie hanteert voor het politiekorps een kwaliteitszorgsysteem.

← terug naar Veiligheidswet BES