1. Overtreding van de regels van de verordening, bedoeld in artikel 39 en van het bij of krachtens de artikelen 31 en 40, derde, vijfde en zesde lid, bepaalde wordt bestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar of een geldboete van de derde categorie.

  2. In geval van overtreding van artikel 40, derde lid, kan als bijkomende straf worden opgelegd gehele of gedeeltelijke stillegging van de inrichting voor een tijd van ten hoogste een jaar.

  3. Het niet naleven van artikel 51, derde lid, is een strafbaar feit en wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaar of een geldboete van de vijfde categorie, indien het feit opzettelijk is begaan, en gestraft met een hechtenis van ten hoogste een jaar of een geldboete van de vierde categorie, indien het feit niet opzettelijk is begaan.

  4. Het niet naleven van artikel 56, tweede lid, door degene die een inrichting die behoort tot een krachtens artikel 45, eerste lid, aangewezen categorie drijft, is een strafbaar feit en wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaar of een geldboete van de vijfde categorie, indien het feit opzettelijk is begaan, en gestraft met een hechtenis van ten hoogste een jaar of een geldboete van de vierde categorie, indien het feit niet opzettelijk is begaan.

  5. De in het eerste en tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.

  6. De in het derde en vierde lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven, voor zover zij opzettelijk zijn begaan. Voor zover zij geen misdrijven zijn, zijn zij overtredingen.