1. De Rijksvertegenwoordiger kan een bestuursorgaan van het openbaar lichaam of van een samenwerkingslichaam een aanwijzing geven indien de taakuitvoering op grond van de hoofdstukken 4 en 5 in het desbetreffende openbaar lichaam tekortschiet.

  2. Tot het geven van een aanwijzing gaat de Rijksvertegenwoordiger niet over dan nadat hij over de voorgenomen aanwijzing het bestuurscollege heeft gehoord.

  3. De organen van het openbaar lichaam en een samenwerkingslichaam geven de Rijksvertegenwoordiger alle inlichtingen die hij voor de uitoefening van het toezicht nodig heeft.