De Rijksvertegenwoordiger geeft, indien een ordeverstoring van boveneilandelijke betekenis dan wel ernstige vrees voor het ontstaan daarvan zulks noodzakelijk maakt, de gezaghebber, zoveel mogelijk na overleg met hem, de nodige aanwijzingen met betrekking tot het door hem ter handhaving van de openbare orde te voeren beleid. De aanwijzingen worden zo enigszins mogelijk schriftelijk gegeven.