1. De ambtenaren die door Onze Minister van Justitie zijn aangewezen voor het vervoer van rechtens van hun vrijheid beroofde personen, kunnen de bevoegdheden, bedoeld in artikel 13, eerste en vierde lid, van de rijkswet, uitoefenen dan wel de maatregelen treffen die worden genoemd in de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 14, derde lid, van de rijkswet, voor zover dit noodzakelijk is met het oog op de voorkoming van het zich onttrekken van de te vervoeren persoon aan het op hem uitgeoefende toezicht. De eerste volzin is van toepassing voor zover de rechtens van hun vrijheid beroofde personen zijn ondergebracht bij de politie of de Koninklijke marechaussee.

  2. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 14, derde lid, van de rijkswet, is van overeenkomstige toepassing op personen die ten behoeve van de hulpverlening aan hen zijn ondergebracht bij de politie of de Koninklijke marechaussee.