Besluit bouwwerken leefomgeving Actueel

Inhoud

§ 6.2.2

Veilig vluchten bij brand

Artikel 6.19

De regels in deze paragraaf zijn op een gebruiksfunctie van toepassing voor zover deze in tabel 6.19 voor die gebruiksfunctie zijn aangewezen.

Tabel 6.19

gebruiksfunctie

leden van toepassing

ontruiming bij brand

deuren in vluchtroutes

opstelling zitplaatsen en verdere

inrichting

gangpaden

vluchtroute woongebouw

beperking van gevaar voor letsel

artikel

6.20

6.21

6.22

6.23

6.23a

6.24

lid

1

2

3

4

1

2

3

4

5

1

2

3

4

5

1

2

*

1

2

3

4

5

1

Woonfunctie

a.

voor zorg

1

2

3

1

2

*

1

2

3

4

b.

andere woonfunctie

1

3

*

1

2

3

4

2

Bijeenkomstfunctie

1

3

1

2

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

3

Celfunctie

1

3

1

2

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

4

Gezondheidszorgfunctie

1

3

1

2

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

5

Industriefunctie

1

3

1

2

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

6

Kantoorfunctie

1

3

1

2

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

7

Logiesfunctie

a.

in een logiesgebouw met 24-uurs bewaking

1

3

4

1

2

4

1

2

1

2

3

5

b.

in een logiesgebouw zonder 24-uurs bewaking

1

3

1

2

4

1

2

1

2

3

5

c.

andere logiesfunctie

1

1

2

4

8

Onderwijsfunctie

a.

voor het basisonderwijs

1

3

1

2

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

b.

andere onderwijsfunctie

1

3

1

2

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

9

Sportfunctie

1

3

1

2

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

10

Winkelfunctie

1

3

1

2

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

11

Overige gebruiksfunctie

3

1

2

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

a.

wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

1

5

b.

ander bouwwerk geen gebouw zijnde

1

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

Artikel 6.20

  1. In een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 3.115 en in een bouwwerk waarvoor een gebruiksmelding als bedoeld in artikel 6.7 is gedaan, zijn voldoende personen aangewezen om de ontruiming bij brand voldoende snel te laten verlopen.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op een woonfunctie voor zorg met zorg op afspraak of met zorg op afroep.

  3. Een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 3.115 heeft een ontruimingsplan.

  4. In een logiesfunctie met 24-uursbewaking is 24 uur per dag een functionaris aanwezig op het eigen perceel of op een loopafstand van ten hoogste 100 m vanaf een toegang van het logiesgebouw.

Artikel 6.21

  1. Een deur op een vluchtroute is bij aanwezigheid van personen in het bouwwerk alleen gesloten als die deur tijdens het vluchten, zonder gebruik te moeten maken van een sleutel, onmiddellijk over de ten minste vereiste breedte kan worden geopend.

  2. In afwijking van het eerste lid kan een deur op een vluchtroute die begint in een ruimte voor het insluiten van personen als bedoeld in de artikelen 3.122, derde lid, en 4.217, derde lid, tijdens het vluchten met een sleutel over de ten minste vereiste breedte worden geopend, mits de inrichting, het gebruik en de organisatie zodanig zijn dat het in artikel 6.2 beoogde brandveiligheidsniveau is gewaarborgd.

  3. Het eerste lid geldt niet voor een niet-gemeenschappelijke vluchtroute.

  4. Het eerste lid geldt niet voor een vluchtroute in een logiesverblijf.

  5. In afwijking van het eerste lid kan een deur op een vluchtroute in een tunnel worden ontgrendeld met een automatische ontgrendeling.

Artikel 6.22

  1. De inrichting van een ruimte is zodanig dat:

    1. voor elke persoon zonder zitplaats ten minste 0,25 m2 vloeroppervlakte beschikbaar is;

    2. voor elke persoon met zitplaats ten minste 0,3 m2 vloeroppervlakte beschikbaar is als geen inventaris kan verschuiven of omvallen als gevolg van gedrang; en

    3. voor elke persoon met zitplaats ten minste 0,5 m2 vloeroppervlakte beschikbaar is als inventaris kan verschuiven of omvallen als gevolg van gedrang.

    Bij de berekening van de per persoon beschikbare vloeroppervlakte wordt uitgegaan van de vloeroppervlakte aan verblijfsruimte na aftrek van de oppervlakte van de inventaris.

  2. In een ruimte met meer dan 100 zitplaatsen zijn de zitplaatsen gekoppeld of aan de vloer bevestigd, zodanig dat deze niet kunnen verschuiven of omvallen als gevolg van gedrang, voor zover die zitplaatsen in meer dan 4 rijen van meer dan 4 stoelen zijn opgesteld.

  3. Bij in rijen opgestelde zitplaatsen is tussen de rijen een vrije ruimte aanwezig met een breedte van ten minste 0,4 m, gemeten tussen de loodlijnen op de elkaar dichtst naderende gedeelten van de rijen. Als in de rij tussen de zitplaatsen een tafel is geplaatst, bevindt deze zich niet in de vrije ruimte.

  4. Een rij zitplaatsen die alleen aan een einde op een gangpad of uitgang uitkomt, heeft niet meer dan 8 zitplaatsen.

  5. Een rij zitplaatsen die aan beide einden op een gangpad of uitgang uitkomt, heeft ten hoogste:

    1. 16 zitplaatsen als de vrije ruimte, bedoeld in het derde lid, niet groter is dan 0,45 m en de breedte van de vrije doorgang van het gangpad of van de uitgang ten minste 0,6 m is;

    2. 32 zitplaatsen als de vrije ruimte, bedoeld in het derde lid, groter is dan 0,45 m en de breedte van de vrije doorgang van het gangpad of van de uitgang ten minste 0,6 m is; of

    3. 50 zitplaatsen als de vrije ruimte, bedoeld in het derde lid, groter is dan 0,45 m en de breedte van de vrije doorgang van het gangpad of van de uitgang ten minste 1,1 m is.

Artikel 6.23

  1. Gangpaden tussen stands, kramen, schappen, podia en andere inrichtingselementen in een voor publiek toegankelijke ruimte zijn ten minste 1,1 m breed.

  2. Voor een uitgang in een ruimte als bedoeld in het eerste lid is een vrije vloeroppervlakte met een lengte en een breedte van ten minste de breedte van deze uitgang.

Artikel 6.23a

In een gemeenschappelijk verkeersruimte van een woongebouw waardoor een vluchtroute voert zijn geen objecten aanwezig die het vluchten belemmeren. Onder objecten die het vluchten belemmeren worden in ieder geval verstaan objecten waardoor de bouwkundige vrije breedte van de verkeersruimte wordt ingeperkt, tenzij er ten minste een beschikbare breedte van 0,85 m overblijft.

Artikel 6.24

  1. Tegen of onder het plafond aangebracht glas is veiligheidsglas of glas voorzien van een ingegoten kruiswapening met een maximale maaswijdte van 0,016 m.

  2. Textiel, folie of papier in horizontale toepassing is onderspannen met metaaldraad op een onderlinge afstand van ten hoogste 0,35 m, of metaaldraad in twee richtingen met een maximale maaswijdte van 0,7 m.

  3. Aankleding in een besloten ruimte mag bij brand geen druppelvorming geven boven een gedeelte van een vloer bestemd voor gebruik door personen.

  4. Het eerste tot en met derde lid gelden niet voor een niet-gemeenschappelijke ruimte.

  5. Het eerste tot en met derde lid gelden niet in een logiesverblijf.

← terug naar Besluit bouwwerken leefomgeving