1. De burgemeester vermeldt in een vergunning:

    1. de exploitant;

    2. tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning strekt;

    3. de plaats waar de inrichting zich bevindt;

    4. de situering en de oppervlakte van de inrichting;

    5. de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden.

  2. De burgemeester vermeldt in een aanhangsel bij de vergunning de leidinggevenden.

  3. De vergunning en het daarvan onderdeel uitmakende aanhangsel, en in voorkomende gevallen een aanvraag als bedoeld in artikel 2:28 C, eerste lid en de ontvangstbevestiging, bedoeld in artikel 2:28C tweede lid, of eventueel afschriften van de genoemde bescheiden, zijn in de inrichting aanwezig.