1. Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of berm of glooiing of wandelpaden of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan. En hierdoor schade toe te brengen.

  2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich te bevinden in of op en schade toe te brengen aan bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden. Een tijdelijke betreding hiervan is alleen toegestaan om afval en de uitwerpselen van een hond te verwijderen.

  3. Het college kan van het verbod, gesteld in het hierboven genoemde lid 1 en 2, ontheffing verlenen.

  4. De verboden genoemd onder lid 1 en 2 zijn niet van toepassing:

    1. op de weg;

    2. op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid; en

    3. op voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

    4. Op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regel zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening

  5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.