1. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester

    1. een openbare inrichting te exploiteren;

    2. één of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen te exploiteren, voor zover deze onder de uitzonderingscategorie van artikel 2:28, vierde lid van deze verordening vallen.

  2. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het geldend omgevingsplan, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit en geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 kan de burgemeester de vergunning weigeren indien:

    1. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;

    2. de aanvrager geen verklaring omtrent gedrag met betrekking tot de leidinggevende van de inrichting overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven;

    3. niet voldaan is aan de ingevolge deze afdeling voor de leidinggevenden en vergunninghouder geldende eisen;

    4. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn.

  4. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in

    1. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

    2. een zorginstelling;

    3. een museum; of

    4. een bedrijfskantine of bedrijfsrestaurant.

  5. Openbare inrichtingen die voor 23-12-2013 beschikten over een Drank- en horecavergunning zijn uitgezonderd van de exploitatievergunningplicht.