1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. De burgemeester weigert de vergunning als:

    1. de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan:

    2. de aanvrager geen verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens over de leidinggevende heeft overlegd die niet ouder is dan drie maanden voorafgaand aan de aanvraag.

  3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat:

    1. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed of

    2. de exploitant of leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    3. de vergunning van de openbare inrichting in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag is geweigerd of ingetrokken;

    4. de exploitant of leidinggevende in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag exploitant of leidinggevende is geweest van een openbare inrichting:

      • die voor tenminste één maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten of

      • waarvan de exploitatievergunning is ingetrokken,

    5. tenzij aannemelijk is dat de exploitant of leidinggevende dit niet toe te rekenen is.

  4. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een:

    1. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

    2. zorginstelling;

    3. museum;

    4. bedrijfskantine of – restaurant;

    5. bed and breakfast;

    6. conferentie- of vergaderaccommodatie;

    7. paracommerciële rechtspersonen zoals bedoeld in de geldende gemeentelijke verordening over paracommerciële rechtspersonen.

  5. De burgemeester verleentop verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet, als:

    1. zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting of

    2. de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, tweede of derde lid.

  6. De vrijstelling geldt niet voor het terras van de openbare inrichting.

  7. De vrijstelling kan worden ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid, onder a van dit artikel.

  8. Op de aanvraag om een vergunning of een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.