Algemene Plaatselijke Verordening Utrechtse Heuvelrug 2019 BETA Foutje gevonden?

Inhoud
Hoofdstuk
Hoofdstuk
Hoofdstuk
Hoofdstuk
Hoofdstuk
Hoofdstuk

Afdeling

Artikel 2:27

Definitie

1. In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt aan meer dan 7 personen of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt.

2. [vervallen]

3. Een buiten de in het eerste en tweede lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte.

Artikel 2:28

Exploitatie openbare inrichting

1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

2. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan.

3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, als:

a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting, de veiligheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;

b. de exploitant en/of leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

c. de exploitatievergunning van de openbare inrichting binnen de laatste vijf jaar vanaf de dag dat de vergunning wordt aangevraagd op grond van artikel 2:28, vierde lid is ingetrokken;

d. de exploitant binnen de laatste vijf jaar vanaf de dag dat de vergunning wordt aangevraagd een exploitant is geweest van een openbare inrichting die voor ten minste één maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten of waarvan de exploitatievergunning is ingetrokken op grond van artikel 2:28 vierde lid, tenzij aannemelijk is dat de betreffende persoon ter zake geen verwijt treft.

4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk intrekken als:

a. door de exploitant op ontoelaatbare wijze de bedrijfsvoering in dit of in andere openbare inrichtingen is uitgevoerd;

b. de exploitant en/of leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

c. voor een openbare inrichting een vergunning op grond van de Alcoholwet is vereist en deze is ingetrokken of geweigerd;

d. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting, de veiligheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

5. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een:

a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

b. zorginstelling;

c. museum; of

d. bedrijfskantine of – restaurant;

e. kerk; of

f. sport- of dansschool c.q. vereniging.

6. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning.

Artikel 2:29

Sluitingstijd

1. Openbare inrichtingen zijn gesloten van zondagnacht/ maandagochtend tot en met donderdagnacht/vrijdagochtend tussen 01.00 en 06.00 uur en van vrijdagnacht/zaterdagochtend

tot en met zaterdagnacht/zondagochtend tussen 03.00 en 06.00 uur.

2. Het is verboden:

a. een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd;

b. na 01:00 uur nieuwe bezoekers toe te laten tot de openbare inrichting.

3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd.

4. De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk openbare inrichting of een daartoe behorend terras.

5. Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien.

6. Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien.

7. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

8. In afwijking van lid 1 geldt voor de nacht van 31 december op 1 januari van elk kalenderjaar een sluitingstijd van 06:00 uur. Het verbod als bedoeld in lid 2 sub b is alsdan niet van toepassing.

Artikel 2:30

Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing in die situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

Artikel 2:31

Verboden gedragingen

Het is verboden in een openbare inrichting:

  1. de orde te verstoren;

  2. zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid.

Artikel 2:32

Handel binnen openbare inrichtingen

De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.

Artikel 2:33

Het college als bevoegd bestuursorgaan

Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening Utrechtse Heuvelrug 2019