1. Aan een vergunning kunnen in het belang van de bescherming en het behoud van houtopstanden voorschriften worden verbonden.

  2. Tot de in het eerste lid bedoelde voorschriften kan behoren het voorschrift:

    1. dat binnen een bepaalde termijn van de vergunning gebruik dient te worden gemaakt; en

    2. dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de daarbij te geven aanwijzingen herplant moet plaatsvinden.