Algemene Plaatselijke Verordening BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 16-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Hoofdstuk
Hoofdstuk
Hoofdstuk Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente
Hoofdstuk Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk

Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu

Artikel 2:1

Samenscholing en ongeregeldheden

  1. Het is verboden op een openbare plaats:

    1. op enigerlei wijze de orde te verstoren, zich hinderlijk te gedragen, personen lastig te vallen, te vechten, deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden,

    2. iemand uit te jouwen of met aanstootgevende taal of op andere wijze lastig te vallen.

  2. Degene die op een openbare plaats

    1. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;

    2. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of

    3. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;

      is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

  3. Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.

  4. Het is verboden een voorwerp dat ter afzetting of afsluiting van een gedeelte van een openbare plaats door het bevoegde gezag is aangebracht, te verplaatsen, te verwijderen of omver te halen.

  5. De burgemeester kan ontheffing verlenen verbod, bedoeld in het derde lid.

  6. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Artikel 2:3

Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

  1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 72 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester en telefonisch kennis aan de politie via 0900-8844.

  2. De kennisgeving bevat:

    1. naam en adres van degene die de betoging houdt;

    2. het doel van de betoging;

    3. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

    4. de plaats en, voor zover van toepassing, de route;

    5. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en

    6. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

  3. Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.

  4. Als het tijdstip van de uiterlijke termijn van de schriftelijke kennisgeving van de betoging valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.

  5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten de in lid 1 gestelde termijn.

Artikel 2:4

Afwijking termijn

[Vervallen; opgenomen in artikel 2:3]

Artikel 2:5

Te verstrekken gegevens

[Vervallen; opgenomen in artikel 2:3]

Artikel 2:6 Verspreiden van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen

  1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.

  2. Het college kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

  3. Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.

  4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:10

Voorwerpen op of aan een openbare plaats

  1. Het is verboden zonder voorafgaande vergunning (objectvergunning) van het bevoegde bestuursorgaan een weg en/of openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

  2. Het verbod is niet van toepassing op:

    1. evenementen als bedoeld in artikel 2:24;

    2. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;

    1. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard en

    1. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg en/of openbare plaats is verleend.

  3. Het verbod is voorts niet van toepassing op de volgende voorwerpen, mits wordt voldaan aan de krachtens het vierde lid gestelde nadere regels:

    1. terrassen als bedoeld in artikel 2:27 eerste lid onder b;

    2. uitstallingen;

    3. bouwobjecten;

    4. reclameborden;

    5. plantenbakken en banken;

    6. nader door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen.

  4. Het college stelt nadere regels voor de categorieën, bedoeld in het derde lid;

  5. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.

  6. In dit artikel wordt onder bevoegd bestuursorgaan verstaan het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.

  7. Op de aanvraag, niet zijnde een omgevingsvergunning, om een vergunning als bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:11

(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het college een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  2. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.

  3. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet of de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren.

Artikel 2:12

(Omgevings)vergunning voor het maken of veranderen van een uitweg

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

  2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd:

    1. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;

    2. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

    3. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of

    4. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.

  3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.

Artikel 2:13

Hinderlijke voorwerpen, modder of stoffen op de weg

Het is onverminderd de daaromtrent bestaande wettelijke bepalingen verboden op een weg voorwerpen, modder of stoffen, die aanleiding kunnen geven tot verontreiniging, beschadiging of slechte afwatering van de weg, of tot gevaarlijke situaties op de weg, aldaar in directe of indirecte zin te plaatsen, te werpen, uit te gieten, over te brengen, te laten afvloeien of te laten vallen.

Artikel 2:14

Bruikbaar houden van de weg

  1. In het belang van de orde en netheid van de weg, de veiligheid van het verkeer, het voorkomen van beschadiging van het wegdek en de afwatering van de weg is het degene, door wiens handelen of toe doen een of meer voorwerpen, modder of stoffen als bedoeld in artikel 2:13 op een weg zijn geraakt, verboden deze daarop te laten.

  2. Met het oog op deze belangen dient de in het eerste lid bedoelde persoon de weg terstond dan wel op aanwijzing van politiefunctionarissen of gemeenteambtenaren te ontdoen of te laten ontdoen van voorwerpen of stoffen als bedoeld in artikel 2.13.

Artikel 2:15

Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

  1. Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar kan ontstaan.

  2. Het college kan ten aanzien van het in het eerste lid bepaalde nadere regels stellen in het belang van de veiligheid op de weg.

Artikel 2:16

Openen straatkolken en dergelijke

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2:18

Rookverbod in bossen en natuurterreinen

  1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan:

    1. te roken gedurende een door het college aangewezen periode;

    2. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3°, van het Wetboek van Strafrecht.

  3. Het verbod in het eerste lid, onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

Artikel 2:21

Voorzieningen voor verkeer en verlichting

  1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.

Artikel 2:24

Definities

  1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

    1. bioscoop- en theatervoorstellingen;

    2. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;

    3. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

    4. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;

    5. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

    6. activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39.

  2. Onder evenement wordt mede verstaan:

    1. een herdenkingsplechtigheid;

    2. een braderie;

    3. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 ;

    4. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;

    5. een straatfeest of buurtbarbecue;

    6. een snuffelmarkt.

  3. In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats. Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet.

  4. In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een evenement waarbij:

    1. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan in totaal 250 personen; verspreid over het evenement;

    2. de activiteiten plaatsvinden tussen 7:00 en 23:00 uur;

    3. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07:00 uur of na 23:00 uur en op zondag voor 13:00 uur of na 23:00 uur;

    4. het maximaal toelaatbare geluidsniveau van 70 dB(A) en 85 dB(c) op de gevels van omringende woningen niet wordt overschreden.

    5. het evenement geen belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten;

    6. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 50 m2 per object en zich hier minder dan 150 personen gelijktijdig in/op verblijven;

    7. er een organisator is;

    8. het geen vechtsportwedstrijden of – gala’s betreft, waaronder in ieder geval wordt begrepen kooigevechten, kickboksevenementen, freefightevenementen en daarmee vergelijkbare activiteiten en al dan niet in wedstrijdverband georganiseerde evenementen waarbij de menselijke waardigheid in het geding is.

    9. het geen evenementen betreft die vallen binnen de categorieën evenementen die door de burgemeester zijn aangewezen.

Artikel 2:25

Evenement

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

  2. Evenementen vinden in beginsel plaats op maandag tot en met donderdag van 09:00 – 00:00 uur, op vrijdag en zaterdag tussen 09:00 – 02:00 uur en op zondag tussen 13:00 – 00:00 uur. In de evenementenvergunning kan de burgemeester andere tijdstippen bepalen.

  3. Onverminderd artikel 1:8 tweede lid, kan een vergunning ook worden geweigerd als:

    1. de aanvraag minder dan twaalf weken voor de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is;

    2. door de burgemeester is geconstateerd dat de organisator van het evenement de vergunningvoorschriften van hetzelfde evenement in het jaar voorafgaand heeft overtreden;

    3. als de organisator van een evenement als bedoeld in artikel 2:24 lid 4 sub h en i van in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

  4. Een aanvraag voor een evenementenvergunning wordt ingediend via een door de burgemeester vastgesteld formulier. De aanvraag om een evenementenvergunning bevat daarnaast:

    1. een veiligheidsplan, als het een B- of C-evenement betreft;

    2. een verkeersplan, als er sprake is van impact op het verkeer zoals een omleiding of wegafsluiting;

    3. een geluidsplan, als er sprake is van versterkte muziek;

    Indien de burgemeester dat voor de beoordeling nodig acht, kan hij verlangen dat er aanvullende gegevens worden overgelegd.

  5. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisator ten minste 14 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.

  6. De burgemeester kan binnen 14 dagen na ontvangst van de melding besluiten een evenement als bedoeld in lid 4 te verbieden dan wel daaraan nadere voorwaarden verbinden, als er aanleiding is te vermoeden dat door het evenement de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

  7. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994.

  8. Het bepaalde in het vijfde lid is niet van toepassing op een evenement dat plaatsvindt in een door de burgemeester aangewezen gebied.

  9. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:27

Definities

  1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

    1. openbare inrichting:

      1. een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, lunchroom, discotheek of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt;

      2. een afhaal- en/of bezorgzaak, waaronder wordt verstaan de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waar bedrijfsmatig of anders dan om niet uitsluitend voor gebruik elders dan ter plaatse in hoofdzaak ter plekke bereide en voor directe consumptie geschikte eetwaren en/of dranken plegen te worden verstrekt;

      3. een buurthuis of clubhuis.

    2. terras: een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt. Een terras maakt deel uit van de openbare inrichting.

    3. leidinggevende:

      1. de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt geëxploiteerd;

      2. de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan een onderneming, waarin de openbare inrichting wordt geëxploiteerd;

      3. de natuurlijke persoon, die onmiddellijk leiding geeft aan de exploitatie van een openbare inrichting

    1. bezoeker: een ieder die zich in de inrichting bevindt, met uitzondering van leidinggevenden, personen die dienst doen in de inrichting, en personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is

Artikel 2:28

Exploitatie openbare inrichting

  1. een leidinggevende op de vergunning dient te worden bij- of afgeschreven. De burgemeester verstrekt na de ingediende melding een gewijzigd aanhangsel behorende bij de vergunning, mits de leidinggevende aan de vereisten uit het vierde lid, sub b, voldoet;

  2. de openbare inrichting een zodanige verandering ondergaat dat zij niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning gegeven omschrijving. De burgemeester verstrekt na de ingediende melding een gewijzigde vergunning, mits de inrichting aan de vereisten uit het derde en vierde lid voldoet.

  1. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

  2. een zorginstelling;

  3. een museum; of

  4. een bedrijfskantine of – restaurant;

  5. een schoolkantine.

  6. een rouwcentrum.

  1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. Een aanvraag voor een exploitatievergunning wordt ingediend via een door de burgemeester vastgesteld formulier. Indien de burgemeester dat voor de beoordeling nodig acht, kan hij verlangen dat er aanvullende gegevens worden overgelegd.

  3. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat:

    1. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of

    2. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is, onder curatele staat of onder de 21 jaar is.

  5. Het is verboden een openbare inrichting voor het publiek geopend te houden indien in de inrichting geen leidinggevende aanwezig is die vermeld staat (op het aanhangsel) bij de vergunning.

  6. Een vergunninghouder doet uiterlijk binnen veertien dagen een melding aan de burgemeester indien:

  7. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in

  8. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.28a

Intrekkingsgronden

  1. Een exploitatievergunning wordt ingetrokken indien:

    1. de vergunning/vrijstelling is verleend op grond van door de exploitant verstrekte onjuiste of onvolledige informatie en een ander besluit op de aanvraag zou zijn genomen indien bij het nemen daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;

    2. de exploitant en/of leidinggevende niet langer voldoet aan de eisen, zoals die zijn vermeld in artikel 2:28, vierde lid, sub b;

    3. zich in of in de nabijheid van de horeca-inrichting feiten hebben voorgedaan, die – naar het oordeel van de burgemeester – de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, de veiligheid, de volksgezondheid, het woon- en leefklimaat of de zedelijkheid;

    4. de vergunninghouder de in artikel 2:28, zesde lid, bedoelde melding niet heeft gedaan.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan een exploitatievergunning of verleende vrijstelling worden ingetrokken indien:

    1. niet langer wordt voldaan aan de eisen die bij of krachtens deze verordening zijn bepaald;

    2. in een horeca-inrichting de functie van leidinggevende wordt uitgeoefend door een persoon, die niet op de vergunning met betrekking tot dat bedrijf als zodanig is vermeld.

  3. Ten aanzien van horeca-inrichtingen waarvan de exploitatievergunningen ingevolge het eerste lid onder c van dit artikel wordt ingetrokken kan tevens worden bepaald dat een aanvraag voor een exploitatievergunning voor de desbetreffende locatie gedurende een bepaalde termijn van maximaal vijf jaar zal worden geweigerd.

Artikel 2:28b

Vervallen vergunning

  1. de exploitatie van het horecabedrijf feitelijk is beëindigd of (gedeeltelijk) overgedragen;

  2. zes maanden zijn verlopen na het onherroepelijk worden van de exploitatievergunning, zonder dat van deze vergunning feitelijk gebruik is gemaakt, tenzij sprake is van overmacht. Dan geldt een termijn van maximaal één jaar.

  1. De exploitatievergunning vervalt wanneer:

  2. De burgemeester kan in afwijking van lid 1 bepalen dat een exploitatievergunning niet van rechtswege vervalt dan wel op andere gronden vervalt.

Artikel 2:29

Sluitingstijd

  1. Openbare inrichtingen zijn gesloten tussen 02:00 uur en 06:00 uur.

  2. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na de verleende sluitingstijd.

    3. In afwijking van lid 1 kan de burgemeester een andere sluitingstijd vaststellen.

  3. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, zevende lid aanhef en onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.

  4. Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien.

  5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:30

Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

  3. In het geval van bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in het eerste lid, is het voor een openbare inrichting toegestaan om voor maximaal 12 dagen per kalenderjaar buiten de bij exploitatievergunning verleende openingstijden open te zijn, mits het veertien dagen van te voren gemeld is via het vastgestelde meldingsformulier. De sluitingstijden uit artikel 2:29, eerste lid, worden in acht gehouden.

Artikel 2:31

Verboden gedragingen

Het is verboden in een openbare inrichting:

  1. de orde te verstoren;

  2. zich als bezoeker te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid;

  3. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.

Artikel 2:32

Handel binnen openbare inrichtingen

De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.

Artikel 2:33

Het college als bevoegd bestuursorgaan

Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 2:33a

Gebruik van glas- en vaatwerk

  1. Het is verboden gedurende evenementen glas- en vaatwerk, anders dan van herbruikbaar kunststof of karton materiaal, te gebruiken voor het verstrekken van dranken.

  2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, genoemd in lid 1.

  3. De exploitant is verplicht zodanige maatregelen te nemen dat de bezoekers van de inrichting geen drinkgerei of flessen van glas buiten de inrichting brengen.

Artikel 2:34a

Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • alcoholhoudende drank,

  • horecabedrijf,

  • horecalokaliteit,

  • inrichting,

  • paracommerciële rechtspersonen,

  • sterke drank,

  • slijtersbedrijf en

  • zwak-alcoholhoudende drank, dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet

Artikel 2.34b

schenktijden paracommerciële rechtspersonen

  1. Paracommerciële rechtspersonen die zich hoofdzakelijk richten op activiteiten van sportieve aard en in het bezit zijn van een alcoholvergunning verstrekken uitsluitend zwak-alcoholhoudende dranken ten behoeve van verenigings- of wedstrijdactiviteiten die passen binnen de statutaire doelomschrijving op:

    1. Maandag tot en met donderdag tussen 17:00 uur en 01:00 uur;

    2. vrijdag tussen 15:00 uur en 02:00 uur;

    3. zaterdag en zondag tussen 12:00 uur en 20:00 uur.

  2. In afwijking het eerste lid is het voor die paracommerciële rechtspersonen toegestaan om maximaal 16 dagen per kalenderjaar zwak-alcoholhoudende dranken te verstrekken, mits

    • Het niet eerder dan 12:00 uur is;

    • niet later dan 01:00 uur;

    • het een verenigings- of wedstrijdactiviteit betreft die past binnen de statutaire doelomschrijving;

    • er hoofdzakelijk volwassenen van de leeftijd van 18 jaar of ouder deelnemen;

    • en het minimaal 14 dagen van te voren gemeld is via het daarvoor bestemde meldingsformulier.

  3. Overige paracommerciële rechtspersonen, zoals gemeenschaps-, buurt- en dorpshuizen, die in het bezit zijn van een alcoholvergunning verstrekken uitsluitend alcoholhoudende dranken gedurende de periode van één uur voorafgaande en tot maximaal twee uur na beëindiging van de activiteiten die passen binnen de statutaire doelomschrijving, maar niet later dan 02:00 uur.

Artikel 2.34c

bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen

Paracommerciële rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon zijn betrokken.

Artikel 2:34d

Proeverij bij slijterij

  1. Slijtersbedrijven zijn vrijgesteld van het in artikel 3, eerste lid, en het in artikel 14, eerste lid, van de Alcoholwet vervatte verbod, ten behoeve van het tegen betaling organiseren van een proeverij in hun slijtlokaliteit.

  2. De vrijstelling geldt buiten de dagen en tijden dat de slijtlokaliteit bij of krachtens de Winkeltijdenwet regulier is opengesteld.

Artikel 2:35

Begripsbepaling

In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.

Artikel 2:36

Kennisgeving exploitatie

Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.

Artikel 2:37

Nachtregister

  1. De houder van een inrichting is verplicht. een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden dat is ingericht volgens het door de burgemeester vastgestelde model.

  2. De houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon is verplicht het in het eerste lid bedoelde register aan de burgemeester over te leggen op een door de burgemeester te bepalen wijze.

Artikel 2:38

Verschaffing gegevens nachtregister

Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de kampeerder is verplicht onverwijld aan de houder van de inrichting volledig en naar waarheid zijn of haar naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.

Artikel 2:38a

Definities

  1. In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.

  2. In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet.

Artikel 2:39

Speelgelegenheden

  1. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of

  2. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan.

  1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als:

  4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:40

Kansspelautomaten

  1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan.

  2. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

Artikel 2:40a

Begripsomschrijvingen

  1. de inrichting: een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is of anders dan om niet handelingen en/of werkzaamheden worden verricht die zijn aan te merken als het exploiteren van hetgeen in het maatschappelijk verkeer wordt aangeduid als smartshop, headshops, belshop of internetcafé;

  2. de exploitant: de natuurlijke of rechtspersoon die een inrichting exploiteert op grond van artikel 2:40c;

  3. de beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke leiding uitoefent of uitoefenen;

  4. het gebied: het op basis van artikel 2:40b, eerste lid, door het college aangewezen gebied waarop deze afdeling van toepassing is.

Artikel 2:40b

Gebiedsaanwijzing

  1. Het college is bevoegd een gebied aan te wijzen waarbinnen ter bevordering, dan wel ter voorkoming van verdere aantasting, van het woon- en leefklimaat deze afdeling van toepassing is.

  2. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het maximale aantal inrichtingen, al dan niet categorisch, binnen het gebied.

Artikel 2:40c

Vergunningplicht

  1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een inrichting als bedoeld in 2:40a te exploiteren;

  2. Voor het verkrijgen en behouden van een vergunning moet een aanvraag bij de burgemeester worden ingediend;

  3. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld;

    1. de persoonsgegevens van de exploitant; en

    2. de persoonsgegevens van de beheerder.

  4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:40d

Gedragseisen

De exploitant en de beheerder:

  1. staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij;

  2. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en

  3. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.

Artikel 2:40e

Weigeringsgronden

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd indien:

  1. de exploitant of beheerder niet voldoet aan de in artikel 2:40d gestelde eisen;

  2. de exploitant of beheerder binnen drie jaar voor de aanvraag een inrichting heeft geëxploiteerd die op grond van (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde, dan wel op grond van artikel 13b van de Opiumwet, gesloten is geweest;

  3. de vestiging of de exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend omgevingsplan en geen medewerking is of zal worden verleend aan het afwijken middels een omgevingsvergunning;

  4. de vestiging of exploitatie strijd oplevert met de nadere regels als bedoeld in artikel 2:40b, tweede lid;

  5. naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de inrichting;

  6. de inrichting binnen een straal van 350 meter van gevoelige objecten zoals scholen buurthuizen of jongerencentra gevestigd is;

  1. de aanvrager van een vergunning geen verklaring omtrent gedrag van hem en alle leidinggevenden overlegt, die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de aanvraag is ingediend, is afgegeven.

Artikel 2:40f

Sluiting

De burgemeester kan een inrichting, al dan niet voor een bepaalde termijn, gesloten verklaren indien:

  1. de exploitant of beheerder handelt in strijd met het bepaalde in de artikelen 2:40c, eerste lid, of 2:40d onder sub a en b;

  2. de exploitant of beheerder handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften.

Artikel 2:40g

Aanwezigheid in gesloten inrichting

  1. Het is verboden gedurende de tijd dat een inrichting ingevolge de reguliere sluitingstijden voor bezoekers gesloten dient te zijn zich als bezoeker daarin te bevinden.

  2. Het is de exploitant of beheerder verboden gedurende de tijd dat een inrichting bij of krachtens de Winkeltijdenwet, of krachtens een op grond van artikel 2:40f genomen besluit voor bezoekers gesloten dient te zijn, de inrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin één of meer bezoekers toe te laten of te laten verblijven.

Artikel 2:40gg

Aanwezigheid leidinggevende

Het is verboden een inrichting voor het publiek geopend te hebben indien in de inrichting geen leidinggevende aanwezig is die vermeld staat op de vergunning.

Artikel 2:40h

Intrekking vergunning

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 wordt de vergunning ingetrokken indien:

    1. de exploitatie van de inrichting door een andere dan de in de vergunning genoemde houder wordt overgenomen;

    2. de exploitant of de beheerder niet meer voldoet aan de in artikel 2:40d onder sub a en b gestelde eisen.

  2. De burgemeester kan de vergunning ook intrekken, indien:

    1. aannemelijk is dat de exploitant of andere leidinggevenden betrokken zijn of hen ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten als bedoeld in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet of bij andere activiteiten in of vanuit de openbare inrichting die een gevaar voor de openbare orde opleveren en/of een bedreiging vormen voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting, dan wel indien naar zijn oordeel de wijze van bedrijfsvoering of het levensgedrag, als bedoeld in artikel 2:40d, onder b, een dergelijk gevaar of een dergelijke bedreiging vormen;

    2. dit anderszins noodzakelijk is in het belang van de openbare orde, aantasting of bedreiging van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen;

    3. een in de artikelen 2:40g en 2:40h gesteld verbod wordt overtreden

Artikel 2:40hh

Wijziging vergunning

  1. Wanneer de vergunning door een verandering van omstandigheden dient te worden gewijzigd, dient de exploitant onverwijld een aanvraag om wijziging van de vergunning in te dienen.

  2. Indien het verzoek niet binnen een maand na de verandering van omstandigheden is ingediend, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken.

Artikel 2:41

Betreden gesloten woning of lokaal

  1. Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  2. Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

  3. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.

Artikel 2:42

Plakken en kladden

  1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:

    1. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

    2. met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

  3. Het verbod, bedoeld in het tweede lid is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

  4. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

  5. Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  6. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

  7. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.

Artikel 2:43

Vervoer plakgereedschap en dergelijke

  1. Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.

  2. Het verbod is niet van toepassing, als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.

Artikel 2:44

Vervoer inbrekerswerktuigen

  1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

  2. Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

Artikel 2:44a

Vervoer geprepareerde voorwerpen

  1. Het is verboden op een openbare plaats in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening