1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 wordt de vergunning ingetrokken indien:

    1. de exploitatie van de inrichting door een andere dan de in de vergunning genoemde houder wordt overgenomen;

    2. de exploitant of de beheerder niet meer voldoet aan de in artikel 2:40d onder sub a en b gestelde eisen.

  2. De burgemeester kan de vergunning ook intrekken, indien:

    1. aannemelijk is dat de exploitant of andere leidinggevenden betrokken zijn of hen ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten als bedoeld in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet of bij andere activiteiten in of vanuit de openbare inrichting die een gevaar voor de openbare orde opleveren en/of een bedreiging vormen voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting, dan wel indien naar zijn oordeel de wijze van bedrijfsvoering of het levensgedrag, als bedoeld in artikel 2:40d, onder b, een dergelijk gevaar of een dergelijke bedreiging vormen;

    2. dit anderszins noodzakelijk is in het belang van de openbare orde, aantasting of bedreiging van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen;

    3. een in de artikelen 2:40g en 2:40h gesteld verbod wordt overtreden