1. Een exploitatievergunning wordt ingetrokken indien:

    1. de vergunning/vrijstelling is verleend op grond van door de exploitant verstrekte onjuiste of onvolledige informatie en een ander besluit op de aanvraag zou zijn genomen indien bij het nemen daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;

    2. de exploitant en/of leidinggevende niet langer voldoet aan de eisen, zoals die zijn vermeld in artikel 2:28, vierde lid, sub b;

    3. zich in of in de nabijheid van de horeca-inrichting feiten hebben voorgedaan, die – naar het oordeel van de burgemeester – de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, de veiligheid, de volksgezondheid, het woon- en leefklimaat of de zedelijkheid;

    4. de vergunninghouder de in artikel 2:28, zesde lid, bedoelde melding niet heeft gedaan.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan een exploitatievergunning of verleende vrijstelling worden ingetrokken indien:

    1. niet langer wordt voldaan aan de eisen die bij of krachtens deze verordening zijn bepaald;

    2. in een horeca-inrichting de functie van leidinggevende wordt uitgeoefend door een persoon, die niet op de vergunning met betrekking tot dat bedrijf als zodanig is vermeld.

  3. Ten aanzien van horeca-inrichtingen waarvan de exploitatievergunningen ingevolge het eerste lid onder c van dit artikel wordt ingetrokken kan tevens worden bepaald dat een aanvraag voor een exploitatievergunning voor de desbetreffende locatie gedurende een bepaalde termijn van maximaal vijf jaar zal worden geweigerd.