Algemene plaatselijke verordening BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
HOOFDSTUK ALGEMENE BEPALINGEN
HOOFDSTUK OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID, VOLKSGEZONDHEID EN MILIEU
AFDELING VOORKOMEN OF BESTRIJDEN VAN ONGEREGELDHEDEN
Afdeling
Afdeling
Afdeling
AFDELING BRUIKBAARHEID, UITERLIJK AANZIEN EN VEILIG GEBRUIK VAN OPENBARE PLAATSEN
Afdeling
AFDELING EVENEMENTEN
AFDELING TOEZICHT OP OPENBARE INRICHTINGEN
AFDELING REGULIERING PARACOMMERCIËLE RECHTSPERSONEN EN OVERIGE AANGELEGENHEDEN UIT DE ALCOHOLWET
AFDELING TOEZICHT OP INRICHTINGEN TOT HET VERSCHAFFEN VAN NACHTVERBLIJF
AFDELING TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDEN
AFDELING WINKELBEDRIJVEN
AFDELING TOEZICHT OP BEDRIJFSMATIGE ACTIVITEITEN EN GEBOUWEN
AFDELING MAATREGELEN TER VOORKOMING VAN OVERLAST, GEVAAR OF SCHADE
AFDELING BESTRIJDING VAN HELING VAN GOEDEREN
AFDELING VUURWERK
AFDELING DRUGSOVERLAST
AFDELING BIJZONDERE BEVOEGDHEDEN VAN DE BURGEMEESTER
AFDELING
HOOFDSTUK REGULERING PROSTITUTIE, SEKSBRANCHE EN AANVERWANTE ONDERWERPEN
Hoofdstuk
AFDELING Uitoefenen seksbedrijf
AFDELING Overige bepalingen
HOOFDSTUK BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE
HOOFDSTUK ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE
HOOFDSTUK STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

AFDELING

TOEZICHT OP OPENBARE INRICHTINGEN

Artikel 2.28

Exploitatie openbare inrichting

  1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan en geen medewerking is of zal worden verleend aan het afwijken middels een omgevingsvergunning. De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het eerste lid eveneens weigeren indien:

    1. de leidinggevende(n) in enig opzicht van slecht levensgedrag is/zijn.

    2. de leidinggevende(n) de leeftijd van 21 jaar niet heeft bereikt;

    3. de leidinggevende(n) onder curatele staat/staan.

    4. de vergunning, als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet geweigerd wordt.

  3. In aanvulling op het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

  4. Het is verboden een openbare inrichting voor het publiek geopend te houden als in de inrichting geen leidinggevende aanwezig is die vermeld staat op een vergunning met betrekking tot die inrichting.

  5. Een vergunninghouder doet een melding aan de burgemeester als:

    1. een leidinggevende op de vergunning dient te worden bijgeschreven;

    2. een leidinggevende van de vergunning dient te worden verwijderd als deze geen bemoeienis meer heeft met de bedrijfsvoering of de exploitatie van de openbare inrichting.

  1. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een:

    1. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

    2. zorginstelling;

    3. museum; of

    4. bedrijfskantine of – restaurant.

  1. De burgemeester kan op verzoek of ambtshalve vrijstelling verlenen van het verbod genoemd in het eerste lid aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet, als:

    1. zich in de zes maanden voorafgaand aan de datum van aanvraag om vergunning als bedoeld in het eerste lid geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting; of

    2. de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, tweede of derde lid.

  1. De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het zevende lid onder a.

  2. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid en op de vrijstelling bedoeld in het zevende lid.

Artikel 2.28a

Intrekkingsgronden

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 wordt een exploitatievergunning of verleende vrijstelling ingetrokken indien:

    1. de vergunning/vrijstelling is verleend op grond van door de exploitant verstrekte onjuiste of onvolledige informatie en een ander besluit op de aanvraag zou zijn genomen indien bij het nemen daarvan de juiste informatie over de feiten en omstandigheden volledig bekend waren geweest;

    2. een leidinggevende niet langer voldoet aan de eisen, zoals die zijn vermeld in artikel 2:28 tweede lid;

    3. zich in of in de nabijheid van de openbare inrichting feiten hebben voorgedaan, die – naar het oordeel van de burgemeester – de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, de veiligheid, de volksgezondheid, het woon- en leefklimaat of de zedelijkheid;

    4. indien voor de exploitatie van een horeca-inrichting tevens een vergunning op basis van de Alcoholwet is vereist en deze vergunning is ingetrokken.

  2. Een exploitatievergunning of vrijstelling kan worden ingetrokken:

    1. indien is of wordt gehandeld in strijd met de verleende vergunning en/of de daaraan verbonden voorschriften;

    1. niet langer wordt voldaan aan de eisen die bij of krachtens deze verordening zijn bepaald;

    2. de intrekking van de vergunning op grond van het eerste lid, onder b, kan eerst geschieden een maand nadat van het voornemen daartoe aan de vergunninghouder schriftelijk mededeling is gedaan tenzij de vergunninghouder zelf niet langer voldoet aan de eisen zoals gesteld in artikel 2:28 tweede lid;

    3. in een openbare inrichting de functie van leidinggevende wordt uitgeoefend door een persoon, die niet op de vergunning met betrekking tot dat bedrijf als zodanig is vermeld;

    4. op verzoek van de exploitant.

  3. Ten aanzien van openbare inrichtingen waarvan de exploitatievergunningen ingevolge het eerste lid onder c van dit artikel wordt ingetrokken kan tevens worden bepaald dat een exploitatievergunning voor de desbetreffende locatie gedurende een bepaalde termijn van maximaal vijf jaar zal worden geweigerd.

Artikel 2.28b

Vervallen vergunning

De exploitatievergunning of verleende vrijstelling vervalt wanneer:

  1. de exploitatie van de openbare inrichting feitelijk is beëindigd of (gedeeltelijk) overgedragen;

  2. zes maanden zijn verlopen na het onherroepelijk worden van de exploitatievergunning, zonder dat van deze vergunning gebruik is gemaakt;

  3. gedurende één jaar anders dan wegens overmacht geen gebruik is gemaakt van de exploitatievergunning.

Artikel 2.28c

Drinkgerei van glas en glazen flessen

  1. De exploitant is verplicht zodanige maatregelen te nemen dat de bezoekers van de inrichting geen drinkgerei van glas of flessen van glas buiten de inrichting brengen.

  2. Het is verboden op een door het college aangewezen gebied, drinkgerei van glas of geopende flessen van glas, die kennelijk zijn bestemd voor het bewaren van drank, bij zich te hebben of met zich mee te voeren.

Artikel 2:29

Sluitingstijd

  1. Openbare inrichtingen zijn gesloten tussen 2:00 uur en 7:00 uur.

  2. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.

  3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd.

  4. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, zesde lid onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.

  5. Naast het in het eerste en tweede lid gestelde is het de exploitant van een horecabedrijf bovendien verboden dit zonder ontheffing van de burgemeester voor bezoekers geopend te hebben of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven op Aswoensdag tussen 00:00 uur en 02:00 uur.

  6. Het eerste en derde lid zijn niet van toepassing:

    1. tussen 02:00 uur en 04:00 uur op de nachten van vrijdag op zaterdag, zaterdag op zondag, zondag op maandag en maandag op dinsdag onmiddellijk voorafgaand aan Aswoensdag.

    2. tussen 02:00 uur en 07:00 uur op Nieuwjaarsdag vanaf 02:00 uur.

  7. Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien.

  8. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

  9. De bepalingen in dit artikel zijn niet van toepassing op openbare inrichtingen als bedoeld in artikel 2:27 eerste lid onder b. Voor openbare inrichtingen als bedoeld in artikel 2:27 eerste lid onder b, gelden de sluitingstijden zoals bepaald in de Winkeltijdenwet en de Winkeltijdenverordening Roosendaal.

Artikel 2:30

Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

Artikel 2:31

Verboden gedragingen

Het is verboden in een openbare inrichting:

  1. de orde te verstoren;

  2. zich als bezoeker te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid;

  3. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.

Artikel 2:32

Handel binnen openbare inrichtingen

De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.

Artikel 2:33

Het college als bevoegd bestuursorgaan

Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.

← terug naar Algemene plaatselijke verordening