1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

    1. op een openbare plaats zonder dat de hond daadwerkelijk en zichtbaar met een fysieke lijn of riem is aangelijnd;

    2. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speel- en ligweide en plaatsen die krachtens artikel 5:34 door het college zijn aangewezen als barbecueplaats of op een andere door het college aangewezen plaats, ook in het geval de hond is aangelijnd;

    3. op een openbare plaats zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

  2. Het college kan plaatsen aanwijzen waar de verboden genoemd in het eerste lid, onder a en b, gedurende het gehele jaar of gedeelte daarvan niet gelden.

  3. Het eerste lid, onder a en b, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.