1. De burgemeester kan een vergunningplichtige openbare inrichting al dan niet voor een bepaalde duur gesloten verklaren als:

    1. een openbare inrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning;

    2. de openbare inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften, dan wel de bepalingen in deze afdeling;

    3. de burgemeester oordeelt dat één of meer van de in artikel 1:6 of artikel 2:28 van de APV genoemde situaties waarin intrekking van een vergunning mogelijk is, zich voordoet.

  2. De burgemeester kan een sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.