Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de exploitatievergunning of vrijstelling van de exploitatievergunning intrekken als:

  1. de exploitatie van de openbare inrichting feitelijk is beëindigd of (gedeeltelijk) is overgedragen;

  2. Zes maanden zijn verlopen na het onherroepelijk worden van de exploitatievergunning zonder dat van deze exploitatievergunning gebruik is gemaakt;

  3. Niet langer wordt voldaan aan de in artikel 2:28 gestelde eisen;

  4. Er een persoon leidinggevende is geworden en deze niet op grond van artikel 2:28a is gemeld;

  5. Zich in of vanuit het betrokken horecabedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de exploitatievergunning gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid;

  6. de openbare orde, veiligheid of de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting op ontoelaatbare wijze wordt verstoord door de aanwezigheid van dat bedrijf;

  7. de aard van de openbare inrichting is gewijzigd zonder daartoe strekkende vergunning;

  8. de exploitant in een periode van twee jaar tenminste driemaal op grond van artikel 2:28a om bijschrijving van een leidinggevende op het aanhangsel bij de exploitatievergunning heeft verzocht, en de burgemeester die wijziging van het aanhangsel ten minste driemaal heeft geweigerd.

  9. Er is vastgesteld dat er activiteiten, zoals omschreven in artikel 2:32, hebben plaatsgevonden in de inrichting.