1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, lid 1, onder g van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een houtopstand te (doen vellen):

    1. waarvan de omtrek van de stam op een hoogte van 130 centimeter meer dan 85 centimeter bedraagt of;

    2. die voorkomen op een door het college vastgestelde Bomenlijst.

  1. In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd op grond van:

    a. de natuurwaarde van de houtopstand;

    b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

    c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

    d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

    e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; of

    f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen.

  3. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.

  4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.