-
Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden of in groepsverband dan wel afzonderlijk anderen lastig te vallen, te vechten of op andere wijze de openbare orde te verstoren.
-
Degene die op een openbare plaats
aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;
aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of;
zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;
is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
-
Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegde gezag in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.
-
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.
-
Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
-
Het is verboden een voorwerp dat ter afzetting of afsluiting van een gedeelte van de weg of vanwege het bevoegde gezag is aangebracht, te verplaatsen, te verwijderen of omver te halen.
-
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Algemene plaatselijke verordening Oldebroek BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).
Inhoud
HOOFDSTUK ALGEMENE BEPALINGEN
HOOFDSTUK OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID, VOLKSGEZONDHEID EN MILIEU
AFDELING VOORKOMEN OF BESTRIJDEN VAN ONGEREGELDHEDEN
AFDELING BRUIKBAARHEID, UITERLIJK AANZIEN EN VEILIG GEBRUIK VAN OPENBARE PLAATSEN
AFDELING EVENEMENTEN
AFDELING TOEZICHT OP OPENBARE INRICHTINGEN
AFDELING REGULERING PARACOMMERCIÉLE RECHTSPERSONEN EN OVERIGE AANGELEGENHEDEN UIT DE ALCOHOLWET
AFDELING TOEZICHT OP INRICHTINGEN TOT HET VERSCHAFFEN VAN NACHTVERBLIJF
AFDELING TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDEN
AFDELING MAATREGELEN TER VOORKOMING VAN OVERLAST, GEVAAR OF SCHADE
- Artikel 2:41
- Artikel 2:42
- Artikel 2:43
- Artikel 2:44
- Artikel 2:44a
- Artikel 2:45
- Artikel 2:46
- Artikel 2:47
- Artikel 2:48
- Artikel 2:48a
- Artikel 2:49
- Artikel 2:50
- Artikel 2:50a
- Artikel 2:50b
- Artikel 2:51
- Artikel 2:52
- Artikel 2:53
- Artikel 2:54 Verbod gebruik openbare plaats als slaapplaats
- Artikel 2:55
- Artikel 2:56
- Artikel 2:57
- Artikel 2:58
- Artikel 2:59
- Artikel 2:59a
- Artikel 2:60
- Artikel 2:61
- Artikel 2:62
- Artikel 2:63
- Artikel 2:64
- Artikel 2:65
AFDELING BEPALINGEN TER BESTRIJDING VAN HELING VAN GOEDEREN
AFDELING CONSUMENTENVUURWERK
AFDELING DRUGSOVERLAST
AFDELING BIJZONDERE BEVOEGDHEDEN VAN DE BURGEMEESTER
AFDELING HET TEGEN GAAN VAN ONDERMIJNING
HOOFDSTUK REGULERING PROSTITUIE, SEKSBRANCHE EN AANVERWANTE ONDERWERPEN
HOOFDSTUK BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE
HOOFDSTUK ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE
HOOFDSTUK SANCTIE-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
HOOFDSTUK
Artikel 2:2
(Vervallen)
Artikel 2:3
Kennisgeving openbare manifestaties op openbare plaatsen
-
Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensovertuiging te houden, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en ten minste 96 uur voordat de betoging, vergadering of samenkomst tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.
-
De kennisgeving bevat:
naam en adres van degene die de betoging, vergadering of samenkomst tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging houdt;
het doel van de betoging, vergadering of samenkomst tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging;
de datum waarop de betoging, vergadering of samenkomst tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;
de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;
voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling, en;
maatregelen die degene die de betoging, vergadering of samenkomst tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.
-
Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving , alsmede de eventueel door de burgemeester gestelde voorschriften zijn vermeld.
-
Als het uiterste tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.
-
De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.
-
Van op vooraf bepaalde tijdstippen regelmatig terugkerende betogingen, vergaderingen of samenkomsten tot belijden van godsdienst of levensovertuiging kan, voordat deze voor de eerste keer worden gehouden, eenmalig schriftelijk kennis worden gegeven. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2:4
(Vervallen)
Artikel 2:5
(Vervallen)
Artikel 2:6
(Vervallen)
Artikel 2:7
(Vervallen)
Artikel 2:8
(Vervallen)
Artikel 2:9
(Vervallen)
Artikel 2:10
Plaatsen van voorwerp op of aan de weg in strijd met publieke functie van de weg
[vervallen]
Artikel 2:11
(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
[vervallen]
Artikel 2:13
(Vervallen)
Artikel 2:14
(Vervallen)
Artikel 2:16
(Vervallen)
Artikel 2:17
(Vervallen)
Artikel 2:18
Rookverbod in bossen en natuurterreinen
-
Het is, als de Veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland (VNOG) daartoe adviseert, verboden in bossen, op heide of veengronden of binnen een door de VNOG geadviseerde afstand daarvan:
te roken, of;
voorzover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.
-
De verboden in het eerste lid gelden niet als daarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.
-
De verboden gelden ook niet voorzover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.
Artikel 2:19
(Vervallen)
Artikel 2:20
(Vervallen)
Artikel 2:21
(Vervallen)
Artikel 2:22
(Vervallen)
Artikel 2:23
(Vervallen)
Artikel 2:24
Definities
-
In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
bioscoopvoorstellingen;
markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening;
kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen, of;
betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
-
Onder evenement wordt mede verstaan:
een herdenkingsplechtigheid;
een braderie;
een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg, of;
een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg.
Artikel 2:25
Evenementvergunning
-
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
-
Geen vergunning is vereist voor een evenement, als:
het aantal bezoekers niet meer is dan 500 personen;
het evenement geen onevenredige belemmering vormt voor het verkeer en hulpdiensten;
het evenement maximaal een dag duurt en plaatsvindt tussen 07:00 en 24:00 uur;
er geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07.00 uur of na 23.00 uur;
uiterlijk 3 weken voorafgaand aan het evenement daarvan melding wordt gedaan aan de burgemeester;
er een organisator bij het evenement aanwezig is, en;
eventuele omwonenden minstens één week van te voren geïnformeerd zijn.
-
De burgemeester kan binnen 2 weken na ontvangst van de melding als genoemd in lid 2. onder e. besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het eerste lid te verbieden, als daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
-
De burgemeester kan in zeer bijzondere gevallen, afhankelijk van de impact van het evenement, alsnog bepalen dat een evenement onder de vergunningplicht (opschalen) of meldingsplicht (afschalen) valt.
-
Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, als daarin wordt voorzien door de artikelen 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994.
-
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:26
Ordeverstoring
-
Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
-
Het is verboden enig gereedschap, voorwerp of middel te vervoeren of bij zich te hebben met de kennelijke bedoeling daarmee bij een evenement de orde te verstoren.
-
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak en een herdenkingsplechtigheid.
Artikel 2:27
Definities
-
In deze afdeling wordt verstaan onder:
openbare inrichting:
een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, clubhuis of afhaalzaak;
elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden verstrekt of bereid;
terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt.
-
Onder openbare inrichting wordt mede verstaan een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt.
-
Exploitant: degenen die een openbare inrichting exploiteert op grond van het bepaalde in artikel 2.28.
-
Leidinggevende: de natuurlijke persoon of personen die onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent of uitoefenen in een openbare inrichting.
Artikel 2:28
Exploitatievergunning
-
De burgemeester kan, in verband met specifieke omstandigheden en ter beperking of voorkoming van overlast voor de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf, bepalen dat de exploitatie van één of meer in dat besluit aangeduide soorten horecabedrijven in de gehele gemeente dan wel in één of meer daarin aangewezen gedeelten van de gemeente slechts kan plaatsvinden, nadat voor dat horecabedrijf of die horecabedrijven een exploitatievergunning is verleend.
-
Als de burgemeester toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in het eerste lid, moeten de in het besluit van de burgemeester aangeduide horecabedrijven binnen acht weken een vergunning aan de burgemeester aanvragen.
-
De burgemeester kan de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, als het gebruik leidt tot strijdigheid met het omgevingsplan of met de voorschriften behorende bij het omgevingsplan of als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf. De burgemeester houdt rekening met het karakter van de straat en de wijk waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf.
-
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2.28a
Nadere eisen
-
Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in de artikelen 2.28 dient zowel de exploitant als de leidinggevende:
minimaal de leeftijd van 18 jaar te hebben bereikt;
te voldoen aan de eisen gesteld in het Alcoholbesluit, zoals dat luidt ten tijde van de aanvraag, en;
niet in enig opzicht van slecht levensgedrag te zijn;
niet onder curatele staan.
-
Het is verboden de openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de op de vergunning vermelde leidinggevende in de openbare inrichting aanwezig is.
Artikel 2:29
Sluitingstijd
-
Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met zaterdag tussen 01:00 uur en 07:00 uur, en op zondag tussen 00:00 uur en 07:00 uur.
-
Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.
-
Het is de exploitant van een bij het horecabedrijf behorend terras verboden op het terras dranken te schenken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse te bereiden of te verstrekken tussen 23:00 uur en 07:00 uur.
-
De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd.
-
Het eerste en derde lid zijn niet van toepassing voor situaties waarin bij of krachtens op de Wet milieubeheer wordt voorzien.
-
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:30
Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting
-
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:29 geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
-
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.
Artikel 2:31
Verboden gedragingen
Het verboden in een openbare inrichting:
de orde te verstoren;
zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid.
Artikel 2:32
Handel binnen openbare inrichtingen
-
In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
-
De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.
Artikel 2:33
Het college als bevoegd bestuursorgaan
Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college op als bevoegd bestuursorgaan voor de toepassing van artikel 2:29 en 2:30.
Artikel 2:34
(Vervallen)
Artikel 2:34a
Definities
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
de wet: Alcoholwet;
de begrippen:
alcoholhoudende drank;
bezoeker;
horecabedrijf;
horecalocaliteit;
inrichting;
paracommerciële rechtspersoon;
sterke drank;
slijtersbedrijf, of;
zwak-alcoholhoudende drank.
dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet;
terras: het buiten de besloten ruimte gelegen deel van een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar bedrijfsmatig of anders dan om niet dranken of spijzen voor gebruik ter plaatse mogen worden verstrekt;
vergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de wet.
Artikel 2:34b
Schenktijden paracommerciële rechtspersonen (uitgezonderd paracommerciële dorpshuizen)
Paracommerciële rechtspersonen (uitgezonderd dorpshuizen) verstrekken uitsluitend alcoholhoudende drank op:
maandag tot en met vrijdag vanaf 19.00 uur tot 24.00 uur, of;
zaterdag en zondag (+ erkende feestdagen) vanaf 15.00 uur tot 20.00 uur.
Artikel 2:34c
(Vervallen)
Artikel 2:34d
(Vervallen)
Artikel 2:34e
(Vervallen)
Artikel 2:34f
(Vervallen)
Artikel 2:34g
Schenktijden paracommerciële dorpshuizen
Een paracommerciële rechtspersoon in de vorm van een dorpshuis verstrekt uitsluitend alcoholhoudende drank op maandag tot en met zondag vanaf 14.00 uur tot 24.00 uur.
Artikel 2:34h Bijeenkomsten in paracommerciële inrichtingen
-
Het is voor paracommerciële rechtspersonen verboden om alcoholhoudende drank te schenken tijdens persoonlijke of niet-verenigingsgebonden bijeenkomsten.
-
Een paracommerciële rechtspersoon in de vorm van een dorpshuis kan in afwijking van lid 1 alcoholhoudende drank verstrekken tijdens ten hoogste 18 bijeenkomsten van persoonlijke aard per kalenderjaar dan wel niet-verenigingsgebonden bijeenkomsten.
-
Het is voor een paracommerciële rechtspersoon in de vorm van een dorpshuis verboden om de mogelijkheid tot het houden van bijeenkomsten van persoonlijke aard openlijk aan te prijzen, waaronder inbegrepen de verhuur van het pand en inventaris.
-
De paracommerciële rechtspersoon in de vorm van een dorpshuis doet uiterlijk 5 werkdagen vóór een bijeenkomst als bedoeld in het tweede lid hiervan melding aan de burgemeester.
Artikel 2:34i
Ontheffingen
-
De burgemeester kan op aanvraag in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van de in artikelen 2:34b en 2:34h gestelde verboden.
-
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:35
Definitie
In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.
Artikel 2:36
Kennisgeving exploitatie
Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.
Artikel 2:37
(Vervallen)
Artikel 2:38
Verschaffing gegevens nachtregister
Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.
Artikel 2:38a
(Vervallen)
Artikel 2:39
(Vervallen)
Artikel 2:40
Kansspelautomaten
-
In dit artikel wordt verstaan onder:
Wet: de Wet op de kansspelen;
kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet;
hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet;
laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet.
-
In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee kansspelautomaten toegestaan.
-
In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.
Artikel 2:41
Betreden gesloten woning of lokaal
-
Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
-
Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
-
Deze verboden gelden niet voor personen waarvoor aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.
Artikel 2:42
Plakken en kladden
-
Het is verboden een openbare plaats, of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf een openbare plaats zichtbaar is, te bekrassen of te bekladden.
-
Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf een openbare plaats zichtbaar is:
een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen, of;
met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
-
Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing als gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
-
Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
-
Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
-
Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.
-
De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op eerste verzoek direct ter inzage af te geven.
Artikel 2:43
Vervoer plakgereedschap en dergelijke
-
Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap.
-
Het eerste lid, is niet van toepassing, als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.
Artikel 2:44
Vervoer inbrekerswerktuigen
-
Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.
-
Het eerst lid, is niet van toepassing, als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
Artikel 2:44a
Hulpmiddelen voor winkeldiefstal
-
Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels, een tas of een ander voorwerp te vervoeren of bij zich te hebben, die kennelijk is uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken.
-
Het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing als kan worden aangetoond dat de tas of het andere voorwerp niet voor dat doel is bestemd.
Artikel 2:45
(Vervallen)
Artikel 2:46
(Vervallen)
Artikel 2:47
Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
-
Het is verboden op een openbare plaats:
te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
zich op te houden op een zodanige wijze die aan andere gebruikers of bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder veroorzaakt.
-
Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:48
Verboden drank- en drugsgebruik
-
Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank en/of de middelen als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, te nuttigen of te gebruiken of bij zich te hebben met het kennelijk doel dat op een openbare plaats te nuttigen of te gebruiken.
-
Het bepaalde in het eerste lid ten aanzien van alcoholhoudende drank geldt niet voor:
een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;
de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.
-
Het bepaalde in het eerste lid ten aanzien van de middelen als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, geldt onverminderd het bepaalde in de Opiumwet.
-
Het bepaalde in het eerste lid ten aanzien van alcoholhoudende drank geldt voor personen die de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt.
Artikel 2:49
Verboden gedrag bij of in gebouwen
-
Het is verboden:
zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden, of;
zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
-
Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw.
Artikel 2:50
Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten
Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk ruimte dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in ieder geval begrepen: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarages en rijwielstallingen.
Artikel 2:50b
Speelterreintjes e.d.
-
Het college kan openbare plaatsen aanwijzen waarvoor geldt dat de plaats gedurende bepaalde tijden niet toegankelijk is voor bepaalde leeftijdscategorieën van personen. De aanwijzing wordt op de aangewezen plaats kenbaar gemaakt.
-
Het is verboden voor personen, die vallen binnen de kenbaar gemaakte leeftijdscategorie, zich op te houden op aangewezen openbare plaatsen binnen de kenbaar gemaakte tijden.
Artikel 2:51
(Vervallen)
Artikel 2:52
Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.
Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.
Artikel 2:53
(Vervallen)
Artikel 2:54 Verbod gebruik openbare plaats als slaapplaats
-
Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op een openbare plaats een voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of een andere vorm van beschutting als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden:
tussen zonsondergang en zonsopgang in door het college aangewezen gebieden
in andere gevallen dan bedoeld onder a voor zover:
sprake is van overlast of hinder voor de omgeving;
er gevaar is of dreigt voor de omgeving; of
het woon- of leefklimaat wordt aangetast.
-
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
-
Het verbod geldt niet:
voor vaartuigen en woonboten die een ligplaats innemen waar dit op grond van het omgevingsplan is toegestaan;
voor woonwagens met een woonbestemming;
op een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd;
op kampeerplaatsen die op grond van artikel 4:19 van de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Oldebroek zijn aangewezen.
Artikel 2:55
(Vervallen)
Artikel 2:56
(Vervallen)
Artikel 2:57
Loslopende honden
-
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:
binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zonder dat die hond aangelijnd is;
buiten de bebouwde kom op een openbare plaats anders dan onder onmiddellijk toezicht;
op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats, of;
op een openbare plaats zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
-
Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid onder a niet geldt.
-
De verboden genoemd in het eerste lid aanhef en onder a en c gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Artikel 2:58
Verontreiniging door honden
-
Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.
-
Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.
-
Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid niet geldt.
Artikel 2:59
Gevaarlijke honden
-
Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.
-
Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
-
Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:
vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;
door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en
zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
-
Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
Artikel 2:59a
Gevaarlijke honden op eigen terrein
-
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk.
-
Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als:
op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht;
het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden, en;
het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.
Artikel 2:60
Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren
-
Het is verboden op door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:
aanwezig te hebben;
aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels, of;
aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven.
-
Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid.
-
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:61
(Vervallen)
Artikel 2:62
(Vervallen)
Artikel 2:63
(Vervallen)
Artikel 2:64
(Vervallen)
Artikel 2:65
(Vervallen)
Artikel 2:66
Definitie
In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: een handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:67
Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
-
De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen:
het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;
de datum van verkoop of overdracht van het goed;
een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;
de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en
de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.
-
De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.
-
Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:68
Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht
De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:
de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:
dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;
van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen;
dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;
dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;
de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;
aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;
een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.
Artikel 2:69
(Vervallen)
Artikel 2:70
(Vervallen)
Artikel 2:71
Definitie
In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.
Artikel 2:73
Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
-
Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college aangewezen plaats ter voorkoming van gevaar, schade of overlast.
-
Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te bezigen als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
-
De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:73a
Carbidbussen
-
Het is verboden met gebruikmaking van carbid voorwerpen af te schieten:
binnen de bebouwde kom;
buiten de bebouwde kom op een ander tijdstip dan gelegen tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari 02:00 uur;
met gebruikmaking van meer dan vier carbidbussen in georganiseerd verband.
-
Het bepaalde in lid 1 geldt niet voorzover de Wet milieubeheer of het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen van toepassing is.
-
Van het in het eerste lid onder c. gestelde verbod kan ontheffing worden verleend voor het schieten (in georganiseerd verband) met vijf of meer carbidbussen in de directe nabijheid van elkaar op 31 december. Deze ontheffing dient ten minste vier weken van te voren worden aangevraagd bij de burgemeester. Als 31 december op een zondag valt kan de burgemeester ontheffing van het eerste lid onder b. en c. verlenen, zodat op 30 december in plaats van 31 december in georganiseerd verband met vijf of meer carbidbussen geschoten kan worden.
-
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:74
Drugshandel op een openbare plaats
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op een openbare plaats post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Artikel 2:74a
Gebruik harddrugs op een openbare plaats
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op een openbare plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte middelen als genoemd in artikel 2 van de Opiumwet, en welke daarvan geplaatst staan op lijst 1 als bedoeld in die wet (harddrugs), te gebruiken, toe te dienen dan wel voorbereidingshandelingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.
Artikel 2:75
(Vervallen)
Artikel 2:76
Veiligheidsrisicogebieden
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.
Artikel 2:77
Cameratoezicht op openbare plaatsen
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.
Artikel 2:78
Gebiedsontzeggingen
-
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste 48 uur in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.
-
Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in dat lid en die binnen zes maanden na een eerder tijdelijk verbod opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste acht weken in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.
-
De burgemeester beperkt het krachtens het eerste of tweede lid opgelegde verbod, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod.
-
Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste of tweede lid opgelegd verbod.
-
Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.
Artikel 2:79
Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet
-
Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.
-
De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke:
geluid- of geurhinder;
hinder van dieren;
hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;
overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;
intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.
Artikel 2:80
Definties
In deze afdeling wordt verstaan onder:
exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, als van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;
beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten;
bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
Artikel 2:81
Dragen gevaarlijk voorwerp
-
Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen en daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen, messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen, die als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen.
-
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de volgens artikel 6:2 aangewezen toezichthouders, dan wel op basis van andere wetgeving aangewezen personen die bevoegd zijn tot het dragen van een wapen ter uitvoering van hun beroep.
Artikel 2:82
Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf
-
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat besluiten tot de gehele of gedeeltelijke sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf.
-
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 2:30, eerste lid, of artikel 13b van de Opiumwet voorziet.
-
De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf.
-
Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.
-
Het is verboden een gesloten gebouw of erf te bezoeken, als bezoeker daarin of daarop te verblijven of een bezoeker daarin of daarop te laten verblijven zonder toestemming van de burgemeester.
-
De burgemeester kan een sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
Artikel 2:83
Aanwijzing vergunningplichtige gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten
-
De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar of waarop het verbod uit het eerste lid van artikel 2:84 van toepassing is.
-
Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van het college de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat.
-
Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken.
-
Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat. De gemeenteraad wordt hierover vooraf geconsulteerd.
Artikel 2:84
Vergunning uitoefening bedrijf
-
Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen:
in een door het college op grond van het eerste lid van artikel 2:83 aangewezen gebouw of gebied voor door het college benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of
als de uitoefening van het bedrijf een door het college op grond van het eerste lid van artikel 2:83 aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.
-
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste lid weigeren:
in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;
als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;
de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;
als er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
als niet voldaan is aan de bij of krachtens in artikel 2:85 gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag.
-
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste lid als de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer.
Artikel 2:85
Vergunningaanvraag
-
De vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:84 wordt aangevraagd door de exploitant.
-
Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier.
-
Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:
de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder;
het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;
het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;
als van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder;
een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;
een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd.
-
Als de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.
Artikel 2:86
Intrekking en wijziging van een vergunning
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:84 intrekken of wijzigen als:
door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of
door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of
de voorschriften verbonden aan de vergunning of de plichten voortvloeiend uit deze afdeling niet worden nageleefd; of
de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of
de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of
er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of
er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; of
de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd dan wel sprake is van een gewijzigde exploitatie; of
redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of
de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit, de Wet milieubeheer of een gebiedsplan.
Artikel 2:87
Sluiting bedrijf
-
Als een bedrijf in strijd met het verbod uit het eerste lid van artikel 2:84 wordt geëxploiteerd of als een van de situaties als bedoeld in artikel 2:86, sub a tot en met i, van toepassing is, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen.
-
Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid van dit artikel gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven.
-
De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.
Artikel 2:88
Geboden en verboden exploitant
-
De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning, zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 2:84, opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden.
-
De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet.
-
Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is.
-
De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden.
Artikel 2:89
Uitgestelde werking aanwijzingsbesluiten voor bestaande gevallen
In afwijking van het eerste lid van artikel 2:84 geldt het aldaar gestelde verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het in artikel 2:83 genoemde aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.
Artikel 2:90
Positieve beschikking bij niet tijdig beslissen
Op de vergunning als bedoeld in artikel 2:84 is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.