Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken of verandering te brengen in een bestaande uitweg.
In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd:
ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;
als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;
als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast;
als door de uitweg het straatbeeld op onaanvaardbare wijze wordt aangetast (bijv. parkeren in voortuinen); en/of
als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een (andere) uitweg wordt ontsloten.
In afwijking van het gestelde in het tweede lid onder d, kan de vergunning worden verleend indien de noodzaak op (sociaal-) medische gronden gerechtvaardigd wordt geacht.
In afwijking van het gestelde in het tweede lid onder e, kan de vergunning voor een tweede uitweg worden verleend:
bij percelen met een bedrijfs- of agrarische bestemming
indien verkeersveiligheid en/of intensiteit daartoe aanleiding geven, of
indien zwaarwegende bedrijfseconomische gronden daartoe aanleiding geven;
bij percelen met een perceelbreedte van meer dan 35 m te rekenen vanaf de straatzijde van de te realiseren uitweg; en/of
bij percelen aan meer zijden gelegen aan een openbare weg, waarbij
de uitwegen niet op dezelfde weg uitkomen; en
de perceeloppervlakte groter is dan 1000 m²;
mits geen van de weigeringsgronden uit het tweede lid onder a, b, c en d van toepassing zijn.
Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.
Het college kan in het belang van de openbare orde, het verkeer, het voorkomen van ernstige hinder of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van het aanleggen van een uitweg.