1. De burgemeester kan de vergunning intrekken:

    1. als blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;

    2. als de omstandigheden of inzichten op grond waarvan de vergunning is afgegeven zodanig zijn gewijzigd dat een situatie is ontstaan als bedoeld in artikel 2.40.6 onder e;

    3. als gehandeld wordt in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen;

    4. als de exploitatie van een speelautomatenhal voor een periode van langer dan zes maanden wordt onderbroken.

  2. Intrekking van de vergunning geschiedt niet, spoedeisende gevallen uitgezonderd, voordat de vergunninghouder bij aangetekende brief van dit voornemen in kennis is gesteld. Daarbij wordt hem medegedeeld, dat hij in de gelegenheid wordt gesteld zich in persoon of bij gemachtigde door de burgemeester of een door deze aangewezen ambtenaar te worden gehoord.