1. Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen moet worden herplant.

  2. Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.

  3. Een vergunning wordt verleend onder de standaardvoorwaarde dat van de vergunning geen gebruik mag worden gemaakt:

    1. tot op het moment dat de bezwarentermijn, vermeerderd met één week, is verstreken, en;

    2. indien er bezwaar is gemaakt, tot het moment dat is beslist op het verzoek om voorlopige voorziening indien de bezwaarmaker binnen de daartoe gestelde termijn, bij de voorzieningenrechter van de Rechtbank hiertoe een verzoek heeft ingediend.