1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

  2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor:

    1. standplaatsen die maximaal drie aaneengesloten dagen worden ingenomen;

    2. standplaatsen die worden ingenomen op particulier terrein voor zover er producten worden aangeboden die op het terrein zelf worden gekweekt/geteeld/geproduceerd dan wel worden bewerkt;

    3. die voldoen aan door het college vastgestelde nadere regels.

    4. Voor standplaatsen als bedoeld in het tweede lid sub a en b dient de standplaatshouder tenminste 10 werkdagen voor het innemen van de standplaats daarvan melding te doen aan het college via het daartoe bestemde meldingsformulier.

  3. Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als:

    1. de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of

    2. een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang.

  5. Het college kan nadere regels vaststellen.

  6. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.