1. De rechthebbende op een bouwwerk of perceel grond is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk of op of in die grond, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.