1. De burgemeester kan op aanvraag ontheffing verlenen van het in artikel 2:34b, tweede lid gestelde verbod.

  2. De burgemeester kan conform het bepaalde in artikel 4, vierde lid, van de Alcoholwet, met het oog op bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard op aanvraag voor een aaneengesloten periode van ten hoogste twaalf dagen ontheffing verlenen van de in artikel 2:34b gestelde verboden en beperkingen.

  3. De in lid 1 en 2 bedoelde ontheffingen kunnen worden ingetrokken of gewijzigd indien:

    1. Ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; of

    2. Op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de ontheffing is vereist; of

    3. Zich feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de ontheffing gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid; of

    4. De aan de ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; of

    5. Van de ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn; of

    6. Indien de houder van de ontheffing dit verzoekt.