1. Het is verboden zich te bevinden in de door de burgemeester aangewezen gebieden of locaties.

  2. De burgemeester kan de gebieden of locaties aanwijzen in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast of baldadigheid, het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de volksgezondheid of de goede zeden.

  3. De burgemeester beperkt de werking van het verbod tot nader door hem aan te duiden perioden of tijden.

  4. Een gebied of locatie wordt aangewezen voor een periode van ten hoogste drie maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste drie maanden verlengen.

  5. Het verbod geldt niet voor:

    1. bewoners van woningen die zijn gelegen in het gebied of de locatie;

    2. de betrokken toezichthouders, hulpverlenende diensten en personen die in het aangewezen gebied of op de aangewezen locatie noodzakelijke werkzaamheden verrichten;

    3. door de burgemeester te bepalen categorieën van gevallen.

  6. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.