1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het college een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

  2. Een vergunning kan worden geweigerd:

    1. als er naar oordeel van het college een belemmering voor de bruikbaarheid van de openbare plaats is;

    2. als het gebruik schade toebrengt of toe kan brengen aan de openbare plaats;

    3. als op hetzelfde moment de openbare plaats op een andere wijze niet beschikbaar is;

    4. als in afwijking van artikel 1.8 de aanvraag voor een vergunning korter dan twee weken voor ingebruikname van de openbare plaats is aangevraagd.

  3. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen, spandoeken, reclame-uitingen en geveltuinen.

  4. Het verbod is niet van toepassing op:

    1. evenementen als bedoeld in artikel 2:24;

    2. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;

    3. terrassen als bedoeld in artikel 2:28;

    4. het plaatsen van reclame- en aankondigingsborden op van gemeentewege aangegeven locaties op basis van een met de gemeente gesloten overeenkomst;

    5. het van gemeentewege plaatsen van verkiezingsborden ten behoeve van politieke partijen;

    6. door of met toestemming van het college en indien van toepassing via een verleende omgevingsvergunning aangelegde geveltuinen;

    7. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.

  5. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.