In deze paragraaf wordt verstaan onder:
alcoholhoudende drank;
horecabedrijf;
horecalokaliteit;
inrichting;
paracommerciële rechtspersoon;
sterke drank;
slijtersbedrijf;
zwak-alcoholhoudende drank;
dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
alcoholhoudende drank;
horecabedrijf;
horecalokaliteit;
inrichting;
paracommerciële rechtspersoon;
sterke drank;
slijtersbedrijf;
zwak-alcoholhoudende drank;
dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.
Het is een paracommerciële rechtspersoon toegestaan om tijdens een activiteit die past binnen de statutaire doelomschrijving van die rechtspersoon alcoholhoudende drank te verstrekken vanaf een uur voor aanvang en tot uiterlijk een uur na beëindiging van de activiteit met inachtneming van de schenktijden als genoemd in het volgende lid.
Het is een paracommerciële rechtspersoon niet toegestaan om buiten de volgende schenktijden alcoholhoudende drank te verstrekken:
op zondag tot en met donderdag dagelijks van 12.00 uur tot 00.00 uur;
op vrijdag en zaterdag tussen 12.00 uur en 01.00 uur van de dag daarop volgend;
In afwijking van het bepaalde in het tweede lid onder a is het een paracommerciële rechtspersoon zijnde een sportvereniging toegestaan om alcoholhoudende drank te verstrekken op maandag tot en met donderdag dagelijks van 12.00 uur tot 01.00 uur van de dag daarop volgend voor zover de verstrekking samenvalt met een door een landelijke sportbond erkende competitie of toernooi.
De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet voorschriften verbinden en de vergunning beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank.
Het is een paracommerciële rechtspersoon verboden om alcoholhoudende drank te verstrekken tijdens een bijeenkomst van persoonlijke aard.
Het is een paracommerciële rechtspersoon toegestaan om per kalenderjaar bij maximaal drie bijeenkomsten met activiteiten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij die activiteiten van de rechtspersoon betrokken zijn alcoholhoudende drank te verstrekken.
Onder de activiteiten als bedoeld in het vorige lid worden uitsluitend verstaan:
toneelvoorstellingen;
concerten, gegeven door statutair in de gemeente Helmond gevestigde koren, harmonieën en muziekkorpsen;
carnavalsfestiviteiten;
festiviteiten met een charitatief karakter.
De paracommerciële rechtspersoon doet uiterlijk vier weken voor een bijeenkomst als bedoeld in het eerste lid hiervan melding aan de burgemeester.
Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
Deze verboden gelden niet voor personen van wie de aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens een dringende reden noodzakelijk is.
Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:
een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
met kalk, teer of een kleur- of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.
Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.
Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.
Het is verboden op een openbare plaats in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken.
Het is verboden op een openbare plaats in de nabijheid van een gestalde (brom)fiets bij zich te hebben gereedschap, een valse sleutel of een ander voorwerp of middel dat ertoe kan dienen om diefstal van een (brom)fiets te vergemakkelijken.
De in het eerste, tweede en derde lid gestelde verboden zijn niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist.
Dit verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de Omgevingsverordening Noord-Brabant of de waterschapsverordening.
Het is verboden op een openbare plaats:
te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder berokkent.
Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet1994.
Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:
een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;
een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.
Het verbod geldt voorts niet voor zover artikel 45 van de Alcoholwet van toepassing is.
Het is verboden zonder redelijk doel:
zich in een portiek of poort op te houden;
in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo’n gebouw.
Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimte wordt in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.
Het is verboden in het openbaar te vechten of iemand lastig te vallen;
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424 of 426 bis van het Wetboek van Strafrecht.
Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen of in daaraan grenzende voor het publiek toegankelijke gebouwen messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben.
Het verbod geldt niet voor messen of voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik gereed zijn.
Dit artikel is niet van toepassing voor zover het wapens betreft als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie.
Het is verboden zich op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.
Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op een openbare plaats een voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of een andere vorm van beschutting als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden:
tussen zonsondergang en zonsopgang in door het college aan te wijzen gebieden;
in andere gevallen dan bedoeld onder a voor zover:
er sprake is van overlast of hinder voor de omgeving;
er gevaar is of dreigt voor de omgeving; of
het woon- of leefklimaat wordt aangetast.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
Het verbod geldt niet:
voor woonschepen die een ligplaats innemen waar dit op grond van artikel 5.3.2 is toegestaan;
voor woonwagens met een woonbestemming;
op een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd;
op kampeerplaatsen die op grond van artikel 4.5.3 zijn aangewezen.
Mensen die noodgedwongen buiten slapen worden niet beboet.
Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond, alsmede degene die een hond onder zijn hoede heeft, verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:
onaangelijnd binnen een door het college aangewezen gebied;
op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op andere door het college aangewezen plaatsen;
op openbare plaatsen te laten verblijven of te laten lopen zonder halsband voorzien van naam en adres van de eigenaar, houder of verzorger.
Van het verbod zoals gesteld in het eerste lid onder a zijn, indien het een bosgebied betreft, vrijgesteld de leden van een vereniging, die zich de africhtingssport van honden ten doel stelt, uitsluitend voor zover het de aan de vereniging toegewezen afgebakende oefenterrein betreft.
Het college kan, al dan niet onder het stellen van voorschriften, ontheffing verlenen van het gestelde in het eerste lid onder a, onder meer ten behoeve van africhtings¬examens of oefeningen daarvoor, dan wel indien het revierterreinen van hondenverenigingen betreft.
Van het verbod als gesteld in het eerste lid onder b zijn vrijgesteld de bewoners van woningen, welke direct grenzen aan de aangewezen plaats of die daarbinnen woonachtig zijn en deze plaats moeten betreden om hun woning te bereiken of te verlaten.
De verboden als gesteld in het eerste lid onder a en b gelden niet voor de eigenaar of houder van een hond:
die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of
die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Op de ontheffing als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking van rechtswege bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.
Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
De eigenaar, houder of verzorger van een hond is verplicht tijdens het verblijf met die hond op een openbare plaats in het bezit te zijn van een zakje dat geschikt is voor de verwijdering van uitwerpselen.
Onder verwijderen als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: het afvoeren van de uitwerpselen naar het huisperceel van degene, als bedoeld in het eerste lid, alsmede het deponeren van de uitwerpselen in een hondenpoepbak of afvalbak.
Het eerste en derde lid gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of voor zover een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond.
Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.
De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die:
vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;
door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en
zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2.4.19, eerste lid, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk.
Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als:
op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht;
het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en
het terrein voorzien is van een hoge en deugdelijke afrastering en de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.
Het is verboden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken in door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden.
In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onmiddellijk:
het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;
de datum van verkoop of overdracht van het goed;
een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed;
de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en
de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.
De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.
Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking van rechtswege bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:
de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:
dat deze het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;
van een verandering van de onder 1o bedoelde adressen;
dat deze het beroep van handelaar niet langer uitoefent;
dat deze enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan.
de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;
aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;
een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.
In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.
Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder vergunning van het college
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking van rechtswege bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.
Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
De verboden zijn niet van toepassing op vuurwerk van categorie F1 en in situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1o, van het Wetboek van Strafrecht.
Het is verboden binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom acetyleengas afkomstig van een reactie tussen carbid (calciumacetylide) en water of een gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden of er een voorwerp mee af te schieten.
Het is verboden om op een openbare plaats carbid of een andere in het eerste lid genoemde stof voorhanden te hebben, te vervoeren of onbeheerd achter te laten.
Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op degene die aannemelijk maakt dat hij die stof of stoffen nodig heeft in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf.
De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht.
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor het publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in artikel 2.1.1.1, 2.1.1.2, 2.1.5.1, 2.1.5.2, 2.2.1.3, 2.2.2.7, 2.2.2.8, 2.2.2.9, 2.4.8, 2.4.9, 2.4.10, 2.4.10a, 2.4.11 2.6.3, 2.6.3a en 5.5.1 van deze verordening groepsgewijs niet naleven.
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.
De burgemeester kan op grond van artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.
De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid ook voor andere voor het publiek toegankelijke plaatsen.
Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.
De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke:
geluid- of geurhinder;
hinder van dieren;
hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in de woning of op het erf aanwezig zijn;
overlast door vervuiling of verwaarlozing van de woning of het erf; of
intimidatie van derden vanuit de woning of op of vanaf het erf.
In dit artikel wordt verstaan onder:
exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend;
beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteit;
bedrijfsmatige activiteit: activiteit in de uitoefening van een beroep of bedrijf die niet valt onder de vergunningplicht als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet of de artikelen 2.1.3.2 en 3.2.1.
De burgemeester kan gebouwen of bij die gebouwen behorende erven, gebieden en bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijfsmatige activiteit uit te oefenen:
in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteit; of
indien het op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:
in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;
indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;
indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn;
indien er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan;
indien een of meer beheerders binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien:
als gevolg van de bedrijfsmatige activiteit de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast;
als gevolg van de bedrijfsmatige activiteit de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;
de voorschriften uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit dit artikel niet worden nageleefd;
de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten die verband houden met de bedrijfsmatige activiteit of toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;
er in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden;
er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
de exploitant de bedrijfsmatige activiteit heeft beëindigd of gewijzigd;
redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of
indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan.
De burgemeester kan een gebouw of een bij dat gebouw behorend erf sluiten als:
de bedrijfsmatige activiteit in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt uitgeoefend;
de vergunning is ingetrokken; of
de aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen niet worden nagekomen.
Het is eenieder verboden een overeenkomstig het zesde lid van deze bepaling gesloten gebouw of erf te betreden of daarin te verblijven.
De burgemeester kan de sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.
Indien er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor er een wijziging van de vergunning dient te komen, moet de exploitant onverwijld een wijzigingsaanvraag indienen. Indien deze aanvraag niet binnen een maand is ingediend na de verandering van omstandigheden, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een vergunning vervalt, wanneer de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden.
Het is verboden het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder aanwezig is.
In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat besluiten tot de gehele of gedeeltelijke sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 2.3.1.10, eerste lid, of artikel 13b van de Opiumwet voorziet.
De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf.
Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.
Het is verboden een gesloten gebouw of erf te bezoeken, als bezoeker daarin of daarop te verblijven of een bezoeker daarin of daarop te laten verblijven zonder toestemming van de burgemeester.
De burgemeester kan een sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.