1. De burgemeester kan aan een persoon die een of meer artikelen als vermeld in bijlage 1 bij deze verordening overtreedt, een tijdelijk verbod opleggen voor de duur van ten hoogste twee weken om in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.

  2. De burgemeester kan aan een persoon die het opgelegde verbod overtreedt of aan degene aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en die opnieuw binnen zes maanden na het opleggen van dat verbod een of meer wettelijke bepalingen uit bijlage 1 overtreedt, een verbod opleggen voor de maximale duur van twaalf weken.

  3. De burgemeester houdt bij het opleggen van een verbod rekening met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene voor zover dit noodzakelijk wordt geacht.

  4. Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste of tweede lid opgelegd verbod.

  5. Indien de officier van justitie een persoon als bedoeld in het eerste lid of vierde lid een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid onder a, van het Wetboek van strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied geen tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.