1. Tot de aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant.

  2. Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.

  3. Een omgevingsvergunning wordt verleend onder de standaardvoorwaarde van feitelijk niet-gebruik tot 6 weken na de datum van bekendmaking aan de aanvrager, oftewel tot het moment dat beslist is op een verzoek om een voorlopige voorziening;

  4. Het bevoegd gezag kan bij het onder voorschriften verlenen van de omgevingsvergunning als criterium de boomwaarde hanteren.

  5. De omgevingsvergunning vervalt, indien van de omgevingsvergunning niet binnen een jaar na het van kracht worden daarvan gebruik is gemaakt. In het geval het een omgevingsvergunning voor het vellen van meer dan één boom betreft, is de omgevingsvergunning voor alle bomen één jaar geldig na het van kracht worden, ook als in fasen geveld wordt of één boom of enkele bomen al geveld zijn.