1. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:6 wordt de vergunning ingetrokken:

    1. indien de vergunninghouder zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;

    2. indien ter verkrijging van de vergunning onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;

    3. indien het college een besluit als bedoeld in artikel 5:18d heeft genomen om de standplaatslocatie op te heffen.

  2. De vergunning kan worden ingetrokken:

    1. wanneer niet langer wordt voldaan aan de voor de vergunninghouder geldende wettelijke vestigingseisen;

    2. indien de vergunninghouder in strijd handelt met het bepaalde bij of krachtens deze verordening;

    3. indien de vergunninghouder, niet of niet tijdig de (financiële) rechten voldoet;

    4. indien de vergunninghouder niet eenmaal in de 2 weken van de vergunning gebruik maakt, met uitzondering van een gebruikelijke vakantieperiode;

    5. indien niet wordt voldaan aan de vereisten gesteld in de Warenwet of het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer op grond van de Wet Milieubeheer zoals deze luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.