1. Het is verboden zonder voorafgaande melding aan het bevoegd bestuursorgaan de weg of een weggedeelte of een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

  2. De voorwerpen kunnen worden geplaatst indien het bevoegd bestuursorgaan niet binnen tien werkdagen na ontvangst van de melding heeft beslist dat het plaatsen van de voorwerpen wordt verboden.

  3. Het college stelt nadere regels voor terrassen als bedoeld in het vijfde lid, onder a.

  4. Het bevoegd bestuursorgaan kan het plaatsen van voorwerpen verbieden:

    1. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    2. indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    3. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak;

    4. op plaatsen in de binnenstad, binnen de vestingmuren, die niet door het bevoegde gezag zijn aangewezen.

  5. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op:

    1. terrassen, mits wordt voldaan aan de krachtens het derde lid gestelde nadere regels en er een vergunning als bedoeld in artikel 2:28 is voor de exploitatie van het terras/de terrassen;

    2. vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt;

    3. zonneschermen, mits deze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits: - geen onderdeel zich minder dan (2,2) meter boven dat gedeelte bevindt; en - geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan (0,5) meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt; - geen onderdeel verder dan (1,5) meter buiten de opgaande gevel reikt;

    4. voertuigen;

    5. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard;

    6. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18;

    7. evenementen als bedoeld in artikel 2:25;

    8. de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan. Degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten draagt er zorg voor dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is.

  6. Het is verboden zonder melding op, in, over of boven de weg of een openbare plaats voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengen aan de weg, gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.

  7. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

  8. Het bevoegde bestuursorgaan kan nadere eisen stellen of voorwaarden verbinden aan een melding.