1. Een verleende omgevingsvergunning op grond van een aanvraag als bedoeld in artikel 4:11a vervalt, voor zover binnen uiterlijk één jaar na datum van de verlening geen gebruik is gemaakt van de omgevingsvergunning.

  2. Het bevoegd gezag kan, middels een gemotiveerd verzoek van de aanvrager, de vervaltermijn eenmaal met 6 maanden verlengen.