1. In het belang van de orde en de netheid van de weg, de veiligheid van het verkeer, het voorkomen van beschadiging van het wegdek en de afwatering van de weg is degene, door wiens handelen of toedoen een of meer voorwerpen, modder of stoffen als bedoeld in artikel 2:13a op een weg zijn geraakt, verboden deze daarop te laten.

  2. Met het oog op deze belangen dient de in het eerste lid bedoelde persoon de weg terstond dan wel op aanwijzing van politiefunctionarissen of gemeentelijke toezichthouders te ontdoen of te laten ontdoen van voorwerpen of stoffen als bedoeld in artikel 2:13a.