1. De rechthebbende van gronden is verplicht deze te zuiveren van akkerdistels (cirsiumsoorten), akkermelkdistels (sonchussoorten), distel (cardiussoorten), maradistel (silybiumsoorten), wegdistel (onopordonsoorten), ridderzuring (rumex obtusifolius), grote brandnetel (urtica dioica) en Jacobskruiskruid (Jacobaea vulgaris), voordat de distels tot knopvorming en de brandnetels en het Jacobskruiskruid tot bloei komen, indien deze overlast voor de aangrenzende gronden kunnen veroorzaken.

  2. Onder rechthebbende wordt in dit artikel verstaan: de gebruiker of bij het ontbreken daarvan de eigenaar van de grond, met dien verstande, dat voor de eigenaar de zakelijk gerechtigde in de plaats treedt wanneer de grond(en) in vruchtgebruik of in erfpacht zijn uitgegeven. In geval van inscharing geldt als rechthebbende degene bij wie het vee in de weide is of wordt gebracht.

  3. Indien naar het oordeel van het college de bij het eerste lid opgelegde verplichting niet of onvoldoende wordt nagekomen, kan zij de rechthebbende van de betreffende grond(en) gelasten de grond te zuiveren.

  4. Het college stelt bij de in het derde lid bedoelde lastgeving de termijn vast waarbinnen de grond van distels, brandnetels of Jacobskruiskruid dient te zijn gezuiverd. Deze termijn is zodanig dat de zuivering voltooid dient te zijn voordat de distels tot knopvorming en/of de brandnetels en/of het Jacobskruiskruid tot bloei komen.

  5. Alvorens de in het derde lid bedoelde lastgeving wordt verzonden, wint het college het advies in van een door haar aan te wijzen deskundige. In dit advies wordt mede betrokken de te volgen bestrijdingsmethode indien het college op grond van artikel 125 van de Gemeentewet, bij nalatigheid van de rechthebbende om binnen de krachtens het vierde lid gestelde termijn gevolg te geven aan de hem verstrekte last, besluiten op kosten van de rechthebbende de grond(en) van distels, brandnetels of Jacobskruiskruid te doen zuiveren.