Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Dinkelland 2025 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Afdeling Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Afdeling Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Afdeling Evenementen
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen
Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling Toezicht op speelgelegenheden
Afdeling Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Afdeling Bestrijding van heling van goederen
Afdeling Consumentenvuurwerk en carbid
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Hoofdstuk Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente
Hoofdstuk Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk

Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu

Artikel 2:1

Samenscholing en ongeregeldheden

  1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.

  2. Degene die op een openbare plaats

    1. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;

    2. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of

    3. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;

    is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

  3. Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.

  4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid.

  5. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Artikel 2:3

Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

  1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.

  2. De kennisgeving bevat:

    1. naam en adres van degene die de betoging houdt;

    2. het doel van de betoging;

    3. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

    4. de plaats en, voor zover van toepassing, de route;

    5. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en

    6. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

  3. Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.

  4. Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.

  5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.

Artikel 2:10

Voorwerpen op of aan de weg of openbare plaats

  1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik:

    1. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of

    2. niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

  2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang van 1,5 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden.

  3. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen en reclameborden.

  4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

  5. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op:

    1. evenementen als bedoeld in artikel 2:24;

    2. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; en

    3. terrassen als bedoeld in artikel 2:27 tweede lid; en

    4. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning of ontheffing voor het gebruik van de weg is vereist.

  6. Het verbod is ook niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:11

(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  2. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.

  3. Het verbod is ook niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 2:12

Maken, veranderen van een uitweg

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

  2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd:

    1. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;

    2. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

    3. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of

    4. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.

  3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.

Artikel 2:15

Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.

Artikel 2:21

Voorzieningen voor verkeer en verlichting

  1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

Artikel 2:24

Definities

  1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

    1. bioscoop-, theater-, muziek- en cabaretvoorstellingen in daarvoor bestemde inrichtingen;

    2. markten als bedoeld in artikel160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;

    3. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

    4. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;

    5. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

    6. activiteiten als bedoeld in artikel 2:39;

    7. sportwedstrijden, niet zijnde sportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder c en d.

  2. Onder evenement wordt mede verstaan:

    1. een herdenkingsplechtigheid, een muziekvoorstelling, een braderie, een feest of een wedstrijd op of aan de weg, tenzij deze activiteiten vallen onder het derde of vierde lid van dit artikel;

    2. een optocht op de weg, niet zijnde een optocht als bedoeld in het vierde lid van dit artikel en niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3;

    3. een incidentele voetbalwedstrijd tussen een amateurclub en een betaald voetbalclub buiten competitieverband;

    4. een vechtsportwedstrijd of -gala.

  3. In deze afdeling wordt onder een meldingsplichtig evenement verstaan, een evenement waarbij:

    1. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 300 personen, met uitzondering van optochten en wandel- loop- en fietstochten;

    2. het aantal dagen is beperkt tot één of twee dagen, met uitzondering van optochten en wandel- loop- en fietstochten;

    3. de activiteiten plaatsvinden tussen 07.00 uur en 24.00 uur;

    4. géén muziek ten gehore wordt gebracht voor 07.00 uur of na 23.30 uur en gedurende de toegestane tijd het maximaal toelaatbare geluidsniveau van 70 dB(A) op de gevels van omringende woningen niet wordt overschreden (uitgezonderd onversterkte muziek gedurende toegestane tijden);

    5. de activiteiten geen gevaar vormen voor de verkeersveiligheid en het verkeer en de hulpdiensten niet belemmeren of de doorstroming beperken;

    6. slechts kleine objecten worden geplaatst, waaronder één tent van maximaal 50 m2, waar niet meer dan 150 personen worden toegelaten.

  4. Onder een meldingsplichtig evenement wordt mede verstaan: een evenement dat geheel plaatsvindt in een maatschappelijk onderkomen zoals een dorps- of kulturhus mits zij voldoen aan het gestelde in het evenementenbeleid en de benodigde inrichtingseisen in het kader van brandveiligheid. Hieronder vallen geen sportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder d.

  5. In deze afdeling wordt onder een buurt- of straatfeest verstaan, een eendaags evenement waarbij:

    1. de activiteiten plaatsvinden tussen 07.00 uur en 24.00 uur;

    2. géén muziek ten gehore wordt gebracht voor 07.00 uur of na 23.30 uur en gedurende de toegestane tijd het maximaal toelaatbare geluidsniveau van 70 dB(A) op de gevels van omringende woningen niet wordt overschreden (uitgezonderd onversterkte muziek gedurende toegestane tijden);

    3. de activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; en

    4. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van maximaal 25 vierkante meter per object;

    5. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 75 personen.

Artikel 2:25

Evenement

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

  2. Bij het indienen van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op basis van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.

  3. Geen vergunning is vereist voor een meldingsplichtig evenement, als de organisator ten minste 20 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.

  4. De burgemeester kan binnen 5 werkdagen na ontvangst van de melding besluiten een meldingsplichtig evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

  5. Het verbod is niet van toepassing op een buurt- of straatfeest.

  6. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994.

  7. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:26

Ordeverstoring

  1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

  2. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde.

  3. Het verbod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:27

Definities

  1. In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt.

  2. Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar de bedrijfsactiviteit wordt voortgezet, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte.

Artikel 2:28

Algemene regels en vergunning voor terras

  1. Het is verboden een terras in te richten en te exploiteren bij een openbare inrichting in strijd met de door het bevoegd bestuursorgaan vastgestelde algemene regels.

  2. De burgemeester kan besluiten om in het kader van de handhaving van de openbare orde en veiligheid en bescherming van het woon- en leefklimaat voor het inrichten en exploiteren van een terras toch een vergunningsplicht op te leggen.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:4 kan de burgemeester aan een vergunning als bedoeld in lid twee van dit artikel, voorschriften en beperkingen opnemen ten aanzien van de openingstijden, de afmetingen en de exploitatie van het terras (waarbij afgeweken kan worden van de algemene regels als bedoeld in artikel 2:28 eerste lid).

Artikel 2:29

Sluitingstijd

  1. Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 uur en 06.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 02.00 uur en 06.00 uur (sluitingstijd).

  2. Terrassen behorende bij openbare inrichtingen zijn tussen 01.00 en 06.00 uur gesloten.

  3. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.

  4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid genoemde sluitingstijd.

  5. Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien.

  6. Het gestelde in het eerste lid geldt niet op Nieuwjaarsdag.

  7. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:30

Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

Artikel 2:31

Verboden gedragingen

Het is verboden in een openbare inrichting:

  1. de orde te verstoren;

  2. zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid.

Artikel 2:32

Handel binnen openbare inrichtingen

De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.

Artikel 2:33

Het college als bevoegd bestuursorgaan

Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 2:35

Definitie

In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin,

  1. al dan niet in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.

  2. dan wel in verband met de uitoefening van beroep of bedrijf aan personen (werknemers) de mogelijkheid van nachtverblijf verschaft.

  3. arbeidsmigranten (werknemers) verblijven dan wel (tijdelijk) wonen.

Artikel 2:36

Kennisgeving exploitatie

Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.

Artikel 2:37

Nachtregister

  1. De houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht bij te houden.

  2. De houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon is verplicht, het in het eerste lid bedoelde register aan de burgemeester of aan een door hem aangewezen ambtenaar te overleggen op een door de burgemeester te bepalen wijze wanneer deze daarom vraagt.

Artikel 2:38

Verschaffing gegevens nachtregister

Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, geboortedatum, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.

Artikel 2:38a

Definities

  1. In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.

  2. In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet.

Artikel 2:39

Speelgelegenheden

  1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als:

    1. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of

    2. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan.

  4. Op een aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:40

Kansspelautomaten

  1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan.

  2. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

Artikel 2:41

Betreden gesloten woning of lokaal

  1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

  3. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.

Artikel 2:42

Plakken en kladden

  1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:

    1. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

    2. met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

  3. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

  4. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

  5. Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  6. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

  7. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.

Artikel 2:43

Vervoer plakgereedschap e.d.

  1. Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.

  2. Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.

Artikel 2:44

Vervoer inbrekerswerktuigen

  1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

  2. Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

  3. Het is verboden op een openbare plaats in de nabijheid van winkels een geprepareerde tas of ander middel, dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken, te vervoeren of bij zich te hebben.

Artikel 2:47

Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

  1. Het is verboden op een openbare plaats:

    1. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

    2. zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers of aan bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder berokkent.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:47a

Opsporen van explosieven

  1. Het is verboden op door de burgemeester aangewezen openbare plaats een metaaldetector, een mijndetector of enig ander voorwerp, kennelijk bedoeld voor het opsporen van explosieven, metalen voorwerpen en dergelijke, bij zich te hebben.

  2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een bedrijf dat in het bezit is van een procescertificaat Opsporen van Conventionele Explosieven als bedoeld in artikel 4.10, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

  3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Artikel 2:48

Verboden drankgebruik

  1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

  2. Het verbod is niet van toepassing op:

    1. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; en

    2. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

Artikel 2:50a

Messenverbod

  1. Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen of in daaraan grenzende voor het publiek openstaande gebouwen of op bij die gebouwen behorende erven messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben.

  2. Het verbod geldt niet voor messen of voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik gereed zijn.

  3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover het wapens betreft als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie.

Artikel 2:51

Neerzetten van fietsen of bromfietsen

Het is verboden op een door het college aangewezen openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een kunstobject, een (raam)kozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek of als daardoor die ingang versperd wordt.

Artikel 2:57

Loslopende honden

  1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

    1. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

    2. zowel binnen als buiten de bebouwde kom op een openbare plaats indien de hond niet is aangelijnd;

    3. op de weg indien die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

  2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  3. Het eerste lid, aanhef en onder a en b, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

Artikel 2:58

Verontreiniging door honden

  1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

Artikel 2:59

Gevaarlijke honden

  1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

  2. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.

  3. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

    1. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

    2. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en

    3. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

  4. Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

Artikel 2:60

Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren

  1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:

    1. aanwezig te hebben;

    2. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels;

    3. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven;

  2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van een of meer verboden als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2:62

Loslopend vee

De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.

Artikel 2:66

Definitie

In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht

Artikel 2:67

Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

  1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen:

    1. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

    2. de datum van verkoop of overdracht van het goed;

    3. een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed;

    4. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en

    5. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

  2. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.

  3. Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht

    (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:68

Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht

  1. De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

    1. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:

      • dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;

      • van een verandering van de onder sub 1 bedoelde adressen;

      • dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;

      • dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan.

    2. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;

    3. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

    4. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Artikel 2:71

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. consumentenvuurwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit, met uitzondering van fop- en schertsvuurwerk.

  2. carbidschieten: het in een bus op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen.

  3. bus: een (originele)(melk)bus van staal/ijzer, container, opslagvat of ander daarmee gelijk te stellen voorwerp;

Artikel 2:72

Carbidschieten

  1. Het is verboden in de openlucht carbid te schieten.

  2. Het onder 1 gestelde verbod geldt niet wanneer er aan alle onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

    • het carbidschieten vindt plaats op oudejaarsdag tussen 10.00 uur en 24.00 uur;

    • er worden geen handelingen verricht of nagelaten waarvan degene die het carbidschieten verricht weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat daardoor gevaar, schade of hinder kan optreden voor personen of voor de omgeving;

    • er wordt geschoten door een persoon vanaf 16 jaar en er wordt toezicht gehouden door een andere persoon vanaf 18 jaar, beide personen verkeren niet onder invloed van alcohol of andere psychotrope stoffen, waarbij zij hun eigen veiligheid en de veiligheid van het publiek waarborgen.

    • er worden adequate maatregelen genomen om gevaar, schade of hinder voor personen of de omgeving zoveel mogelijk te voorkomen;

    • het carbidschieten vindt plaats in een richting welke is tegengesteld aan de richting waarin de dichtstbijzijnde woonbebouwing is gelegen en de toeschouwers zich bevinden;

    • een maximum inhoud van één liter geldt voor een bus die binnen de bebouwde kom wordt gebruikt.

  3. Aanvullend gelden alle onderstaande voorwaarden wanneer het carbidschieten plaatsvindt buiten de bebouwde kom:

    • er is toestemming van de eigenaar van het terrein waaraf wordt geschoten;

    • de plaats vanwaar wordt geschoten is gelegen op een afstand van ten minste 500 meter van zorginstellingen met verblijfsfunctie;

    • binnen een cirkel met een straal van 100 meter rond de plaats waar het carbidschieten plaatsvindt worden in totaal niet meer dan zes bussen gebruikt dan wel gebruiksklaar aanwezig gehouden voor carbidschieten;

    • het vrij schootsveld is minimaal 75 meter en hierin liggen geen verharde openbare wegen of paden;

  4. De burgemeester kan te allen tijde het schieten van carbid verbieden als de veiligheid van personen en goederen in het geding is en/of het woon- en leefklimaat en/of de volksgezondheid wordt aangetast;

  5. Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde en veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu plaatsen in de gemeente aanwijzen waar het gestelde in het tweede lid niet van toepassing is.

  6. Dit artikel is niet van toepassing, voor zover de Omgevingswet, de Wet wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Artikel 2:72a

Bij zich hebben van carbid

  1. Het is verboden op of aan de weg carbid bij zich te hebben op andere dagen dan op oudejaarsdag tussen 10.00 uur en 24.00 uur;

  2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degenen aan wie carbid is afgeleverd gedurende de tijd die nodig is om thuis te komen, noch op degene die aannemelijk maakt dat hij het carbid nodig heeft in de uitoefening van beroep of bedrijf.

Artikel 2:73

Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

  1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.

  2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.

  3. De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:74

Drugshandel op straat

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet , of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 2.74a

Openlijk drugsgebruik

Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

Artikel 2:75

Bestuurlijke ophouding

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet te besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in artikel 2.1, 2.47, 2.48, 248a en 2.73 van deze verordening, groepsgewijs niet naleven.

Artikel 2:76

Veiligheidsrisicogebieden

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aan te wijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2:77

Cameratoezicht op openbare plaatsen

  1. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

  2. De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van de volgende andere plaatsen:

    1. de parkeerplaats “Lonnekermeer” langs de A1 in Deurningen.

Artikel 2:78

Gebiedsontzeggingen

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste 24 uur in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.

  2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in dat lid en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.

  3. De burgemeester beperkt het krachtens het eerste of tweede lid opgelegde verbod, als hij dat voor de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod.

  4. Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste of tweede lid opgelegd verbod.

  5. Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.

Artikel 2:79

Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet

  1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

  2. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke:

    1. geluid- of geurhinder;

    2. hinder van dieren;

    3. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;

    4. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;

    5. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf;

Artikel 2:80

Definities nadere regels

  1. In dit artikel wordt verstaan onder:

    1. exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

    2. beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten;

    3. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor he publiek toegankelijk gebouw, of daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

Artikel 2:81

Aanwijzing gebied, straat of gebouw waar vergunningplicht geldt voor bepaalde bedrijvigheid

  1. In het belang van de openbare orde en veiligheid, het woon- en leefklimaat of als er bijzondere omstandigheden daartoe aanleidinggeven, kan de burgemeester een gebied, gebouw of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod van artikel 2:81a van toepassing is. Een aanwijzing kan zich tot één of meer bedrijfsactiviteiten beperken.

  2. De burgemeester wijst in het besluit de activiteiten aan waarvoor de vergunningplicht geldt en geeft desgewenst aan welke specifieke voorwaarden aan de vergunningplicht worden verbonden.

  3. De burgemeester kan de aanwijzing intrekken zodra deze bedrijfsmatige activiteiten naar zijn oordeel niet langer de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins ondermijning veroorzaken.

Artikel 2:81a

Exploitatie van een bedrijf in een aangewezen gebied, straat of gebouw

Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen in een door de burgemeester aangewezen gebouw of gebied voor de door de burgemeester benoemde bedrijfsactiviteiten zoals bedoeld in artikel 2:81.

Artikel 2:81b

Aanvraag vergunning bedrijf in een aangewezen gebied, straat of gebouw

  1. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant.

  2. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend doorgebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier.

  3. Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van de aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.

  4. Indien er een verandering van omstandigheden optreedt waardoor er een wijziging van de vergunning dient te komen, moet de exploitant onverwijld een wijzigingsaanvraag indienen. Indien deze aanvraag niet binnen een maand is ingediend na de verandering van omstandigheden, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een vergunning vervalt, wanneer de vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden.

Artikel 2:81c

Bijzondere weigeringsgronden

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning weigeren als:

  1. naar zijn oordeel het woon- en leefklimaat in de omgeving van het bedrijf of de openbare orde of de veiligheid nadelig wordt beïnvloed of er om andere redenen sprake is van ondermijning door het bedrijf;

  2. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatienadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

  3. de wijze van bedrijfsvoering daartoe aanleiding geeft;

  4. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

  5. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

  6. er aanwijzingen zijn dat in strijd wordt gehandeld met de Wetarbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000;

  7. de vestiging of exploitatie in strijd is met het omgevingsplan, een bekendgemaakte ontwerpwijziging van het omgevingsplan of de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 2:81d

Bijzondere gronden voor intrekking en wijziging

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien:

  1. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast;

  2. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of

  3. de voorwaarden uit de vergunning niet worden nageleefd; of

  4. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of

  5. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of

  6. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of

  7. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd dan wel sprake is van een gewijzigde exploitatie; of

  8. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of

  9. er aanwijzingen zijn dat in strijd wordt gehandeld met de Wetarbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000;

  10. de vestiging of exploitatie in strijd is met het omgevingsplan, een bekendgemaakte ontwerpwijziging van het omgevingsplan of de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 2:81e

Bestaande bedrijven

Voor aangewezen bedrijfsmatige activiteiten die op het tijdstip van de aanwijzing reeds worden uitgeoefend stelt de burgemeester een termijn vast waarop de vergunningplicht als bedoeld in artikel 2:81a in werking treedt.

Artikel 2:81f

Sluiting bedrijf

  1. Indien een bedrijf in strijd met artikel 2:81a wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in artikel 2:81d, sub a tot en met j, van toepassing is, kan de burgemeester voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten van het bedrijf bevelen.

  2. Het is een ieder verboden een gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven.

  3. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Dinkelland 2025