1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. De aanvraag om vergunning vindt plaats aan de hand van een door de burgemeester vastgesteld formulier.

  3. De burgemeester weigert de vergunning indien:

    1. de vestiging of exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan of daarop gebaseerd beleid;

    2. aanvrager geen verklaring omtrent gedrag met betrekking tot de exploitant overlegt, die uiterlijk 3 maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven;

    3. aanvrager desgevraagd geen document als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 met betrekking tot de exploitant overlegt;

    4. de exploitant nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt.

  4. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:7 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat:

    1. de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of

    2. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

  5. Het college kan met het oog op de belangen als vermeld in het vierde lid nadere regels stellen ten aanzien van terrassen.

  6. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in:

    1. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit en er geen terras is;

    2. een ziekenhuis of zorginstelling;

    3. een museum; of

    4. een bedrijfskantine of -restaurant.

  7. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.