1. Het is verboden een aanhanger of voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:

    1. langer dan drie op achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben binnen de bebouwde kom op de openbare weg of publieke ruimte;

    2. of op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente;

    3. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

  2. De in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde termijn geldt niet gedurende het tijdvak van 1 mei tot 1 september. In deze periode geldt een termijn van zeven dagen.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod.

  4. Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Provinciale omgevingsverordening.

  5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.