1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen in een openbare inrichting.

  2. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in:

    1. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

    2. een zorginstelling;

    3. een museum; of

    4. een bedrijfskantine of –restaurant.

  3. Voor het verkrijgen van een vergunning moet een schriftelijke aanvraag worden ingediend aan de hand van een door de burgemeester vastgesteld aanvraagformulier.

  4. Per horecabedrijf kan niet meer dan één aanvraag gelijktijdig in behandeling worden genomen;

  5. In afwijking van het bepaalde in artikel 1.2 beslist de burgemeester binnen twaalf weken na de datum waarop de aanvraag met bijbehorende bescheiden is ontvangen.

  6. De burgemeester kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen. De aanvrager van de vergunning wordt voor de afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk in kennis gesteld van de verdaging.

  7. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid.