Algemene Plaatselijke Verordening Albrandswaard 2021 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Afdeling Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Afdeling Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen.
Afdeling Evenementen
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen
Afdeling Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling Toezicht op speelgelegenheden
Afdeling Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade.
Afdeling Bestrijding van heling van goederen
Afdeling Consumentenvuurwerk
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Hoofdstuk Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente

Hoofdstuk

Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen

Artikel 3:1

Definities

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  1. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

  2. prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

  3. seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;

  4. escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;

  5. sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd;

  6. exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen;

  7. beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf;

  8. bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van:

    1. de exploitant;

    2. de beheerder;

    3. de prostituee;

    4. het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;

    5. toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2 van deze verordening;

    6. andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.

Artikel 3:2

Bevoegd bestuursorgaan

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet , de burgemeester.

Artikel 3:3

Nadere regels

Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3:13, tweede lid kan het college nadere regels stellen met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in dit hoofdstuk.

Artikel 3:4

Seksinrichtingen

  1. Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan.

  2. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld:

    1. de persoonsgegevens van de exploitant;

    2. de persoonsgegevens van de beheerder; en

    3. de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.

  3. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 3:5

Gedragseisen exploitant en beheerder

  1. De exploitant en de beheerder:

    1. staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij;

    2. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en

    3. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.

  2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, zijn de exploitant en de beheerder niet:

    1. met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld;

    2. binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustatius, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten;

    3. binnen de laatste vijf jaar bij ten minste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:

      • bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen;

      • de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 252, 250a (oud), 273f, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht;

      • de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;

      • de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de Kansspelen;

      • de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;

      • de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.

  3. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld:

    1. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt;

    2. een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf.

  4. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:

    1. bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning;

    2. bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.

  5. De exploitant of de beheerder zijn binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft.

Artikel 3:6

Sluitingstijden

  1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven:

    1. op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 en 07.00 uur;

    2. op zaterdag en zondag tussen 02.00 en 07.00 uur.

  2. Het bevoegd bestuursorgaan kan voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen.

  3. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:7, eerste lid, gesloten dient te zijn.

  4. Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.

Artikel 3:7

Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting

  1. Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3:13, tweede lid of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan:

    1. tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of tweede lid, geldende sluitingstijden vaststellen;

    2. van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht maakt het bevoegd bestuursorgaan het besluit bedoeld in het eerste lid bekend op de voet van artikel 3:42, tweede lid.

Artikel 3:8

Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder

  1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat exploitant of de beheerder bedoeld in artikel 3:4, tweede lid onder a of b in de seksinrichting aanwezig is.

  2. De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting:

    1. geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht , in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en

    2. geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.

Artikel 3:9

Straatprostitutie

  1. Het is verboden:

    1. door woorden, houding, gebaren of andere feitelijke gedragingen, op of aan de weg, op of in voor het publiek toegankelijke plaatsen, in deuropeningen, dan wel binnenshuis zichtbaar voor het publiek, iemand tot prostitutie uit te nodigen of uit te lokken, dan wel op deze uitnodiging of uitlokking in te gaan;

    2. op de weg ontuchtige handelingen te verrichten, indien dit kennelijk geschiedt in het kader van prostitutie.

  2. Met het oog op de naleving van het verbod bedoeld in het eerste lid, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

  3. Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3:13, tweede lid, kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen of gebieden en gedurende de tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

  4. De burgemeester kan met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3:13, tweede lid, personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid, verbieden zich gedurende een bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen of gebieden en op de tijden bedoeld in het eerste lid onder b.

  5. De burgemeester beperkt het verbod bedoeld in het vierde lid indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.

Artikel 3:10

Sekswinkels

Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente.

Artikel 3:11

Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke

  1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen,opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen:

    1. indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt;

    2. anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang vande openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels.

  2. Het verbod bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

Artikel 3:12

Beslistermijn

  1. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid, beslist het bevoegd bestuursorgaan op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.

  2. Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen.

Artikel 3:13

Weigeringsgronden

  1. De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt geweigerd indien:

    1. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:5 gestelde eisen;

    2. de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met het omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan.

    3. er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.

  2. Voor seksinrichtingen en in Nederland gevestigde escortbedrijven kan, onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, worden geweigerd dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, achterwege gelaten, in het belang van:

    1. het voorkomen of beperken van overlast;

    2. het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat;

    3. de veiligheid van personen of goederen;

    4. de verkeersvrijheid of -veiligheid;

    5. de gezondheid of zedelijkheid; of

    6. de arbeidsomstandigheden van de prostituee.

Artikel 3:14

Beëindiging exploitatie

  1. De vergunning vervalt zodra de exploitant die overeenkomstig artikel 3:4 op de vergunning is vermeld, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.

  2. Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 3:15

Wijziging beheer

  1. Indien de beheerder het beheer van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk beëindigt, geeft de exploitant daarvan binnen een week schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.

  2. Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant besluit de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing.

  3. In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder vanaf het moment waarop de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.

Artikel 4.

Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Artikel 4:1

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

  • collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

  • gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

  • incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

  • inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 4:2

Aanwijzing collectieve festiviteiten

  1. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17,2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer gedeelten van de gemeente.

  4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

  5. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

Artikel 4:3

Melding incidentele festiviteiten

  1. Het is een inrichting toegestaan op maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.

  2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.

  3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding.

  4. De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

  5. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

Artikel 4:4

Verboden incidentele festiviteiten (vervallen)

[vervallen]

Artikel 4:5

Onversterkte muziek

Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek binnen inrichtingen zoals bedoeld in artikel 2.18 van het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt in afwijking van artikel 2.18, eerste lid, onder f, van het Activiteitenbesluit milieubeheer onversterkte muziek tussen 23 uur en 7 uur niet buiten beschouwing gelaten bij het bepalen van het geluidsniveau van een inrichting.

Artikel 4:5a

Geluidsplafonds

Het college kan nadere regels stellen ter voorkoming of beperking van geluidshinder bij collectieve of incidentele festiviteiten en meldingsplichtige evenementen (artikel 2:24).

Artikel 4:6

Overige geluidhinder

  1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  2. Onder geluidhinder als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval verstaan: het heien voor 07.00 uur en na 19.00 uur.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 4:6a

Mosquito

  1. Onder mosquito wordt verstaan een apparaat dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden van plaatsen waar zij overlast veroorzaken.

  2. In afwijking van artikel 4:6 kan de burgemeester in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige overlast door jongeren op die plaats.

  3. De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk kenbaar gemaakt op de plaats waar deze is aangebracht.

  4. Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat overlast redelijkerwijs valt te verwachten.

  5. Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste 6 maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste 6 maanden verlengen.

Artikel 2.

Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel 4:7 Straatvegen (vervallen )

[vervallen]

Artikel 4:8

Natuurlijke behoefte doen

  1. Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

  2. Het is verboden buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten de daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 4:9

Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Artikel 4:9a

Verbod confetti

Het is verboden confetti bestaande uit kleine snippers die (deels) gemaakt zijn van plastic en/of metaal, te gebruiken en/of te verspreiden in de open lucht.

Artikel 4:10

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. boom: een houtig opgaand gewas met een stamdiameter van de stam van minimaal 10 cm op 1,30 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam;

  2. boomvormer: een boomvormer is een houtig, opgaand gewas met ontwikkeling van één of meer hoofdtakken. Een boomvormer kan uitgroeien tot een boom;

  3. houtopstand: één of meer bomen of boomvormers, of andere houtachtige gewassen, mogelijk onderdeel uitmakend van een boomvlak of boomstructuur;

  4. Publieke houtopstand: houtopstand staande op grond van overheden, bijvoorbeeld gemeente, provincie, waterschap of Rijkswaterstaat met uitzondering van een houtopstand met poot- of gedoogrecht;

  5. Boomvlakken: begrensd gebied met houtopstanden die samen een functioneel geheel vormen;

  6. boomstructuur: lijnvormige beplanting van houtopstanden dat een functioneel geheel vormt;

  7. Beschermde houtopstand: een publieke houtopstand, die is vastgelegd op de lijst waardevolle houtopstanden.

  8. lijst waardevolle houtopstanden: lijst met daarop aangegeven de te beschermen publieke houtopstanden als boomvlakken, boomstructuren en solitaire bomen of boomgroepen, ondersteund door een kaart;

  9. vellen: rooien, kappen, verplanten, het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben. Het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden noodzakelijk om de houtopstand in stand te houden zoals dunnen en knotten zijn hierop een uitzondering;

  10. dunnen: velling ter bevordering van het voortbestaan van de (te behouden) houtopstand;

  11. knotten: Het regelmatig terugsnoeien van bomen en struiken tot een vast punt boven de grond;

  12. Boomwaarde: de monetaire waarde van een boom zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen;

  13. bomen effect analyse: een standaard beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor een boom, op basis van landelijke richtlijnen van de Bomenstichting;

  14. boomdeskundige: een persoon die minimaal een gerelateerde mbo-opleiding heeft behaald en/of het certificaat Boomveiligheidscontroleur en meer dan 5 jaar ervaring op dit gebied heeft;

  15. Kandelaberen: Het tot op de hoofdtakken korten van de houtopstand;

  16. bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld overeenkomstig artikel 1 lid 5 van de Boswet;

  17. iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau);

  18. iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus multistriatus (Marsh) en Scolytus pygmaeus.

  19. noodkap: het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen en goederen.

Artikel 4:11

Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag beschermde houtopstand(en) te vellen of te doen vellen.

  2. Van een omgevingsvergunning als bedoeld in het voorgaande lid mag pas gebruik worden gemaakt:

    1. nadat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht is verstreken zonder dat een verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van die wet is ingediend, of;

    2. nadat op een binnen de onder a bedoelde termijn ingediend verzoek om een voorlopige voorziening is beslist.

  3. Het bevoegd gezag kan, indien er sprake is van een spoedeisend belang, op verzoek van de aanvrager of ambtshalve, in de omgevingsvergunning bepalen dat deze in afwijking van het bepaalde in het voorgaande lid in werking treedt op een eerder daarbij aan te geven tijdstip.

  4. Het verbod geldt niet voor een beschermde houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving van het bevoegd gezag.

  5. Het verbod geldt niet voor:

    1. wegbeplantingen en éénrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot of zijn opgenomen op de lijst van waardevolle houtopstanden;

    2. fruitbomen en windschermen om boomgaarden;

    3. houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen is buiten de bebouwde kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die:• ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are; ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen, gerekend over het totale aantal rijen.

    4. het verwijderen van houtopstanden in het geval van noodkap. Een bevel tot noodkap is een besluit dat genomen moet worden door een daartoe bevoegde functionaris en dat -zo nodig achteraf- schriftelijk en gemotiveerd moet worden vastgelegd.

Artikel 4:12

Lijst waardevolle houtopstanden

  1. Het college van burgemeester en wethouders stelt een lijst vast met waardevolle houtopstanden ter bescherming daarvan.

  2. De lijst waardevolle houtopstanden met de bijbehorende kaart bevat een samenhangend geheel van de volgende houtopstanden:

    1. Publieke boomvlakken;

    2. Publieke boomstructuren;

    3. Publieke houtopstanden

Artikel 4:12b

Criteria voor verlening van een omgevingsvergunning

  1. Een omgevingsvergunning voor het vellen of doen vellen van beschermde houtopstand(en) wordt geweigerd indien het belang voor de verlening daarvan niet opweegt tegen het belang van behoud van de houtopstand. De beoordeling van deze belangen vindt plaats aan de hand van de volgende criteria:

    1. Voor wat betreft de boomsoort;

      • duurzaamheid van de boom

      • boomgrootte

      • herkomst van de boom

      • dendrologische waarde van de boom

    2. Stamdiameter van de houtopstand, zoals bedoeld in artikel 4:10 sub g;

    3. Levensverwachting van de houtopstand;

    4. Groeivorm van de houtopstand;

    5. Ruimtelijke betekenis van de houtopstand;

    6. Cultuurhistorische betekenis van de houtopstand.

  2. Een omgevingsvergunning voor het vellen van beschermde houtopstanden wordt door het bevoegd gezag verleend, indien:

    1. een zwaarwegend maatschappelijk belang, zoals een op de aanvrager rustende wettelijke zorgplicht of een verplichting ingevolge het bepaalde in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek, opweegt tegen duurzaam behoud van de beschermde houtopstand;

    2. alternatieven door aanvrager uitputtend zijn onderzocht en te licht zijn gewogen;

    3. naar boomdeskundige maatstaven instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade.

  3. Het college van burgemeester en wethouders stelt ter uitwerking van de in de voorgaande leden genoemde criteria beleidsregels voor waardevolle houtopstanden vast.

  4. Het bevoegd gezag verwijst in haar motivering bij een besluit op aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 4:11 lid 1, naar de beleidsregels waardevolle houtopstanden zoals bedoeld in het voorgaande lid.

Artikel 4:12c

Vervaltermijn vergunning

In het geval de in artikel 4:11 bedoelde omgevingsvergunning een verlening betreft voor het vellen van één of meer houtopstanden, is deze vergunning voor alle houtopstanden slechts één jaar geldig, ook als in fasen geveld wordt of één of enkele houtopstanden al geveld zijn.

Artikel 4:12d

Bijzondere vergunningsvoorschriften

  1. Tot de aan de omgevingsvergunning voor het vellen van beschermde houtopstanden te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant.

  2. In het voorschrift als bedoeld in het eerste lid wordt telkens bepaald binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

  3. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan dient de herplant minimaal 40 jaar duurzaam in stand gehouden te worden.

  4. Tot aan de omgevingsvergunning voor het vellen van beschermde houtopstanden te verbinden voorschriften kan het voorschrift behoren dat pas tot vellen van de houtopstand op en bij bouw- en aanlegwerken of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie mag worden overgegaan indien ruimtelijke ordeningsprocedures onherroepelijk geworden zijn en de feitelijke voortgang van de werken voldoende gewaarborgd is.

  5. Degene aan wie een voorschrift of een verplichting als bedoeld in dit artikel is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 4:12e

Herplant /instandhoudingsplicht

  1. Indien een beschermde houtopstand zonder omgevingsvergunning voor het vellen van beschermde houtopstanden is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich die houtopstand bevond, dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen termijn.

  2. Naast herplant volgens de mogelijk opgelegde verplichting genoemd in het eerste lid dient een financiële bijdrage gestort te worden in het gemeentelijk bomenfonds. De hoogte van deze bijdrage wordt berekend met behulp van de methode NCTB (Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen).

  3. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herplant en op welke wijze niet geslaagde herplant moet worden vervangen.

  4. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan dient de herplant minimaal 40 jaar duurzaam in stand gehouden te worden.

  5. Indien een beschermde houtopstand in het voortbestaan ernstig worden bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich die houtopstand bevindt, dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om:

    1. een bomen effect analyse op te stellen en aan te bieden aan het bevoegd gezag;

    2. overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.

  6. Degene aan wie een voorschrift of een verplichting als bedoeld in dit artikel is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 4:12f

Bestrijding iepziekte

  1. Indien zich op een terrein één of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het bevoegd gezag gevaar opleveren voor verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van de iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het bevoegd gezag is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn:

    1. Indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;

    2. de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen;

    3. of de niet ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.

  2. Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren.

  3. Het verbod is niet van toepassing op geheel ontschorst iepenhout en op iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 cm

  4. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het onder lid 2 gestelde verbod.

Artikel 4:12g

Bescherming publieke houtopstanden

  1. Het is verboden om houtopstanden, die publiek eigendom zijn:

    1. te beschadigen, te bekladden of te beplakken;

    2. daaraan snoeiwerk te verrichten, behoudens door de betreffende overheid opgedragen boomverzorgende taken en de gevallen zoals bedoeld in artikel 5:44 Burgerlijk Wetboek.

  2. Het is verboden om één of meer voorwerpen in of aan een publieke houtopstand aan te brengen of anderszins te bevestigen, behoudens vergunning van het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 4:13

Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke

  1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

    1. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    2. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    3. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel;

    4. mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild

  2. gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

  3. Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben.

  4. Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid nadere regels stellen.

  5. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 4:14

Stankoverlast door gebruik van meststoffen (vervallen)

[vervallen]

Artikel 4:15

Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

  1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.

  2. Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging.

Artikel 4:17

Definitie

In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 4:18

Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

  1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd.

  2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van

    1. natuur en landschap; of

    2. een stadsgezicht.

Artikel 4:19

Aanwijzing kampeerplaatsen

  1. Artikel 4:18, eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  2. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd artikel 4:18, vierde lid.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening Albrandswaard 2021