1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag beschermde houtopstand(en) te vellen of te doen vellen.

  2. Van een omgevingsvergunning als bedoeld in het voorgaande lid mag pas gebruik worden gemaakt:

    1. nadat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht is verstreken zonder dat een verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van die wet is ingediend, of;

    2. nadat op een binnen de onder a bedoelde termijn ingediend verzoek om een voorlopige voorziening is beslist.

  3. Het bevoegd gezag kan, indien er sprake is van een spoedeisend belang, op verzoek van de aanvrager of ambtshalve, in de omgevingsvergunning bepalen dat deze in afwijking van het bepaalde in het voorgaande lid in werking treedt op een eerder daarbij aan te geven tijdstip.

  4. Het verbod geldt niet voor een beschermde houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving van het bevoegd gezag.

  5. Het verbod geldt niet voor:

    1. wegbeplantingen en éénrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot of zijn opgenomen op de lijst van waardevolle houtopstanden;

    2. fruitbomen en windschermen om boomgaarden;

    3. houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen is buiten de bebouwde kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die:• ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are; ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen, gerekend over het totale aantal rijen.

    4. het verwijderen van houtopstanden in het geval van noodkap. Een bevel tot noodkap is een besluit dat genomen moet worden door een daartoe bevoegde functionaris en dat -zo nodig achteraf- schriftelijk en gemotiveerd moet worden vastgelegd.