In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. boom: een houtig opgaand gewas met een stamdiameter van de stam van minimaal 10 cm op 1,30 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam;

  2. boomvormer: een boomvormer is een houtig, opgaand gewas met ontwikkeling van één of meer hoofdtakken. Een boomvormer kan uitgroeien tot een boom;

  3. houtopstand: één of meer bomen of boomvormers, of andere houtachtige gewassen, mogelijk onderdeel uitmakend van een boomvlak of boomstructuur;

  4. Publieke houtopstand: houtopstand staande op grond van overheden, bijvoorbeeld gemeente, provincie, waterschap of Rijkswaterstaat met uitzondering van een houtopstand met poot- of gedoogrecht;

  5. Boomvlakken: begrensd gebied met houtopstanden die samen een functioneel geheel vormen;

  6. boomstructuur: lijnvormige beplanting van houtopstanden dat een functioneel geheel vormt;

  7. Beschermde houtopstand: een publieke houtopstand, die is vastgelegd op de lijst waardevolle houtopstanden.

  8. lijst waardevolle houtopstanden: lijst met daarop aangegeven de te beschermen publieke houtopstanden als boomvlakken, boomstructuren en solitaire bomen of boomgroepen, ondersteund door een kaart;

  9. vellen: rooien, kappen, verplanten, het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben. Het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden noodzakelijk om de houtopstand in stand te houden zoals dunnen en knotten zijn hierop een uitzondering;

  10. dunnen: velling ter bevordering van het voortbestaan van de (te behouden) houtopstand;

  11. knotten: Het regelmatig terugsnoeien van bomen en struiken tot een vast punt boven de grond;

  12. Boomwaarde: de monetaire waarde van een boom zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen;

  13. bomen effect analyse: een standaard beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor een boom, op basis van landelijke richtlijnen van de Bomenstichting;

  14. boomdeskundige: een persoon die minimaal een gerelateerde mbo-opleiding heeft behaald en/of het certificaat Boomveiligheidscontroleur en meer dan 5 jaar ervaring op dit gebied heeft;

  15. Kandelaberen: Het tot op de hoofdtakken korten van de houtopstand;

  16. bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld overeenkomstig artikel 1 lid 5 van de Boswet;

  17. iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau);

  18. iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus multistriatus (Marsh) en Scolytus pygmaeus.

  19. noodkap: het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen en goederen.