1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester:

    1. een openbare inrichting te exploiteren;

    2. één of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen te exploiteren, voor zover deze niet onder de uitzonderingscategorie van het twaalfde of veertiende lid vallen.

  2. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan.

  3. De burgemeester kan de vergunning weigeren, indien de aanvrager geen verklaring omtrent het gedrag met betrekking tot de leidinggevende overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de aanvraag is ingediend, is afgegeven.

  4. In aanvulling op het bepaalde in het artikel 2:28b en het tweede en derde lid van dit artikel, kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat:

    1. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed,

    2. de aanvrager of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

  5. Bij toepassing van de in het vierde lid genoemde weigeringsgronden houdt de burgemeester rekening met:

    1. het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting gelegen is of gelegen zal zijn;

    2. de aard van de openbare inrichting;

    3. de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de openbare inrichting;

    4. de wijze van bedrijfsvoering door de aanvrager en/of de leidinggevende, en;

    5. het levensgedrag van de aanvrager en/of de leidinggevende.

  6. Onverminderd het gestelde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen als:

    1. de vergunninghouder of leidinggevende van de openbare inrichting de bepalingen in deze afdeling, dan wel de voorschriften of beperkingen, behorende bij de vergunning, overtreedt;

    2. aannemelijk is, dat de vergunninghouder of leidinggevende van de openbare inrichting betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de openbare inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting, dan wel de vrees hiertoe wettigen;

    3. de vergunninghouder of leidinggevende strafbare feiten pleegt in de openbare inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn openbare inrichting strafbare feiten worden gepleegd;

    4. de vergunninghouder of leidinggevende van de openbare inrichting zich schuldig maakt aan discriminatie naar ras, geslacht, geloof of seksuele geaardheid;

    5. de bij de aanvraag verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;

    6. zich in de betrokken openbare inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid;

    7. niet langer wordt voldaan aan de in artikel 2:28b en het tweede, derde en vierde lid van dit artikel gestelde eisen;

    8. de vergunninghouder in een periode van twee jaar ten minste drie maal op grond van artikel 2:28d, eerste lid om bijschrijving van een persoon op het aanhangsel bij de vergunning heeft verzocht en de burgemeester die wijziging van het aanhangsel ten minste driemaal heeft geweigerd op grond van artikel 2:28d, vijfde lid;

    9. er sprake is van een gewijzigde exploitatie of vergunninghouder, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd;

    10. de vergunninghouder in artikel 2:28d, eerste lid en artikel 2:28f bedoelde gevallen geen melding als bedoeld in die artikelen heeft gedaan.

    11. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn.

  7. Als een vergunningaanvraag tevens betrekking heeft op de exploitatie van een of meer terrassen, zoals bedoeld in artikel 2:27 toezicht op openbare inrichtingen, beslist de burgemeester in afwijking van artikel 2:10, eerste lid, voor zover deze terrassen zich op de weg bevinden, ook over de ingebruikneming van de weg ten behoeve van het terras. Onverminderd het bepaalde in dit artikel, tweede lid, vierde lid en vijfde lid kan de burgemeester de ingebruikneming van de weg door een terras weigeren als:

    1. het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;

    2. het beoogde gebruik een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    3. het beoogde gebruik afbreuk doet aan andere publieke functies van de weg, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan.

  8. De burgemeester kan de aanvraag voor een exploitatievergunning die betrekking heeft op een terras weigeren:

    1. indien het terras gelegen is op of aan de weg die door de burgemeester met het oog op de belangen genoemd in het vijfde lid van dit artikel is aangewezen, en;

    2. indien het terras gelegen is op of aan de weg die door het college met het oog op de belangen genoemd in het zesde lid van dit artikel is aangewezen.

  9. De burgemeester kan gebieden aanwijzen waar bij het indienen van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in het eerste lid een exploitatieplan moet worden vastgelegd waarin de maatregelen staan beschreven die de aanvrager neemt om overlast in de omgeving van de openbare inrichting als gevolg van de exploitatie van de openbare inrichting te voorkomen.

  10. Het college kan in het belang van de openbare orde, het woon- en leefklimaat, de veiligheid, de zedelijkheid of de gezondheid nadere regels stellen voor de exploitatie van openbare inrichtingen.

  11. Het eerste lid van dit artikel geldt niet voor door de burgemeester aangewezen soorten openbare inrichtingen.

  12. Het eerste lid van dit artikel geldt niet voor een openbare inrichting in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de horeca een nevenactiviteit is van de winkelactiviteit.

  13. Voor de openbare inrichting in een winkel gelden dezelfde sluitingstijden als de winkel.

  14. Voorts geldt het eerste lid niet voor:

    1. een openbare inrichting in zorginstellingen;

    2. een openbare inrichting in musea;

    3. een openbare inrichting in sportkantines;

    4. een openbare inrichting in scholen;

    5. een openbare inrichting in clubhuizen

  15. Op de aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.