1. Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, binnen de bij de aanschrijving gestelde termijn van 10 werkdagen, verplicht toegang te verschaffen tot zijn terrein en:

    1. indien de iepen in de grond staan, deze te laten vellen door een, door het college ingeschakeld, erkend boomverzorgingsbedrijf;

    2. de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen door een, door het college ingeschakeld, erkend boomverzorgingsbedrijf;

    3. of de niet-ontschorste iepen of delen daarvan te laten vernietigen door een, door het college ingeschakeld, erkend recyclingsbedrijf of zodanig te laten behandelen door een erkend recyclingsbedrijf dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.

  2. Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met uitzondering van geheel ontschorst iepenhout en iepenhout met een doorsnede kleiner dan vier centimeter, voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren. Het college kan ontheffing verlenen van dit verbod.

  3. Het gestelde in het eerste lid onder sub c geldt eveneens voor geveld en gezond iepenhout.